G3788 ὀφθαλμός
oog
Taal: Grieks

Onderwerpen

Oog (lichaamsdeel),

Statistieken

Komt 102x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ofthalmos̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὀφθαλμός, -οῦ, ὁ, [in LXX chiefly for עַיִן H5869;] the eye (as in cl., chiefly pl.): Mt 5:38, Mk 9:47, Lk 6:41, Jo 9:6, al.; τοὺς ὀ. ἐξορύθσσειν (fig.), Ga 4:15; ἐπᾶραι, Lk 6:20, Jo 6:5; ἀνοῖξα, Ac 9:40; id., of restoring sight, Mt 20:33, Jo 9:10, al.; ἐν ῥιπῇ ὀφθαλμοῦ, I Co 15:52; by anthropom., of God, He 4:13, I Pe 3:12; pleonastically (cf. Thackeray, Gr., 42 f.), εἶδον οἱ ὀ. μου, Lk 2:30 (similarly, Lk 4:20 10:23, Jo 12:40, I Co 2:9, I Jo 1:1, Re 1:7 (a) of ethical qualities: ὀ. πονηρός (meton., for envy; cf. Heb. עַיִן רַע H5869,H7451, Pr 28:22; cf. Si 14:10 34:13), Mt 6:22, 23, Mk 7:22, Lk 11:34; ἁπλοῦς, Mt 6:22, Lk 11:34; ἐπιθυμία (q.v.) ὀφθαλμῶν (cf. Ec 4:8, Si 14:9), I Jo 2:16; ὀ. μεστοὶ μοιχαλἰδος, II Pe 2:14; (b) of mental vision: Mt 13:15, Mk 8:18, Lk 19:42, Jo 12:40, Ro 11:8, Ga 3:1, Eph 1:18, al.; ἐν ὀφθαλμοῖς seq. gen. (on the absence of the art., v.Bl., § 46, 9n; M, Pr., 81), Mt 21:42, Mk 12:11.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀντοφθαλμέω G503 "weerspannig zijn"; Grieks μονόφθαλμος G3442 "eenogig"; Grieks ὀπτάνομαι G3700 "gezien worden"; Grieks ὀφθαλμοδουλεία G3787 "dienst";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Boeken algemeen