G3793 ὄχλος
menigte
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 174x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

óchlos̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὄχλος, -ου, ὁ, [in LXX for הָמוֹן H1995 (chiefly in Da TH), חַיִל H2428, קָהָל H6951, etc.;] 1. a moving crowd or multitude of persons, a throng: Mt 9:23, Mk 2:4, Lk 5:1, Jo 5:13, al.; pl., Mt 5:1, Mk 10:1, Lk 3:7, and freq.; ὄ. ἱκανός, Mk 10:46, al.; τοσοῦτος, Mt 15:33; οὐ μετ’ ὄχλου, Ac 24:18; ἄτερ ὄχλου, Lk 22:6; πᾶς ὁ ὄ., Mt 13:2, Mk 2:13, al.; ὄ. πολύς (π. ὄ), Mt 20:29, Mk 5:21 ὁ πολὺς ὄ. (ὄ. π.), the populace, the common people, Mk 12:37 (Swete, in l.; Field, Notes, 37), Jo 12:9 (Westc, in l.). 2. (As also cl., opp. to δῆμος, q.v., and cf. Tr., Syn., § xcviii), the populace, the common people (cf. ὁ πολὺς ὄ., supr.), Mt 14:5 21:26, Mk 12:12, Jo 7:12b; so with contempt (cl.), Jo 7:49. In a more general sense, a multitude: c. gen., ὀνομάτων (v.s. ὀ.), Ac 1:15; μαθητῶν, Lk 6:17, al.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἔχω G2192 "hebben, behouden, houden"; Grieks ὀχλέω G3791 "verstoren, wegrollen"; Grieks ὀχλοποιέω G3792 "volksoploop";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Cadeauwinkel