G3982 πείθω
overreden
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 54x voor in 14 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

'peitho, ww een primair werkwoord; TDNT - 6:1,818;


1) overreden 1a) overreden, d.w.z. door woorden overtuigen 1b) vrienden maken, iemands gunst winnen, proberen iemand voor zich in te nemen 1c) tot bedaren brengen, kalmeren 1d) iemand overhalen iets te doen 2) zich laten overtuigen 2a) overreed worden, zich laten overtuigen 2a1) geloven 2a2) iemand vertrouwen 2b) luisteren naar, gehoorzamen, toegeven 3) vertrouwen


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πείθω, [in LXX chiefly for בּטח H982, its parts and derivatives;] (i) 1. trans., to apply persuasion ("conative" in pres.; v. M, Pr., 147), to prevail upon or win over, persuade: absol., Mt 28:14, Ac 19:26; seq. περί, c. gen. rei, Ac 19:8; c. acc. pers., Ac 12:20 14:19 18:4, II Co 5:11, Ga 1:10; τ. καρδίας ἡμῶν, I Jn 3:19; c. acc. seq. περί, Ac 28:23; c. acc. et inf., Ac 13:43 26:28 (v. Field, Notes, 141 ff.); c. acc. seq. ἵνα (Plut.), Mt 27:20. 2. Intrans., 2 pf. πέποιθα with pres. sense (v. M, Pr., 147, 154; Bl., § 59, 2): to trust, be confident, have confidence: c. acc. et inf., Ro 2:19; c. acc. ref. (v. Ellic., in l.) : Phl 1:6, 25; c. dat., Phl 1:14, Phm 21; ἑαυτῷ, c. inf., II Co 10:7; seq. ἐν, Phl 3:3, 4; ἐν κυρίῳ ὅτι, Phl 2:24; ἐπί, c. dat., Mt 27:43 (WH, mg.), Mk 10:24 (T, WH, R, mg., om.), Lk 11:22 18:9, II Co 1:9, He 2:13; ἐπί, c. acc., Mt 27:43 (c. dat., WH, mg.); id. seq. ὅτι, II Co 2:3, II Th 3:4 (v. Lft., Notes, 127); εἰς, c. acc. pers. seq. ὅτι, Ga 5:10. (ii) 1. to be persuaded, believe (v. M, Pr., 158): absol., Lk 16:31, Ac 17:4 21:14, He 13:18; c. dat., Ac 28:24; c. acc. et inf., Ac 26:26; so also pf., πέπεισμαι, πεπεισμένος εἰμί: c. acc. ref. seq. περί, He 6:9; c. acc. et inf., Lk 20:6; ὅτι, Ro 8:38, II Ti 1:5, 12; id. c. ἐν κυρίῳ, Ro 14:14; περί, c. gen. seq. ὅτι, Ro 15:14. 2. to listen to, obey: c. dat. pers., Ac 5:36, 37, 40 23:21 27:11, Ro 2:8, Ga 5:7, He 13:17, Ja 3:3 (cf. ἀνα-πείθω).†
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀναπείθω G374 "aansporen"; Grieks ἀπειθής G545 "onbuigbaar, ongehoorzaam, onovertuigbaar"; Grieks εὐπειθής G2138 "gehoorzaam"; Grieks πειθαρχέω G3980 "gehoorzamen (aan de overheid)"; Grieks πειθός G3981 "overredend"; Grieks πεισμονή G3988 "overreding"; Grieks πιθανολογία G4086 "overredingskunst, aannemelijke bewijsvoering"; Grieks πίστις G4102 "geloof"; Grieks πιστός G4103 "trouw, betrouwbaar";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

TuinTuin