G4098 πίπτω
vallen (van of op)
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 92x voor in 10 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

pipto̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πίπτω, [in LXX chiefly for נפל H5307;] to fall 1. of descent, to fall, fall down or from: seq. ἐπί, c. acc. loc., Mt 10:29, al.; εἰς, Mt 15:14, al.; ἐς μέσῳ, c. gen., Lk 8:7; παρὰ τ. ὁδόν, Mt 13:4, Mk 4:4, Lk 8:5; seq. ἀπό, Mt 15:27, al.; ἐκ, Mk 13:25, Lk 10:18, Re 8:10 9:1. Metaph.: ὁ ἥλιος, seq. ἐπί, Re 7:16; ἀχλὺς κ. σκότος, Ac 13:11; ὁ κλῆρος, Ac 1:26; ὑπὸ κρίσιν, Ja 5:12. 2. (a) of persons, to fall prostrate, prostrate oneself: χαμαί, Jo 18:6; seq. ἐπί, c. acc., Mt 17:6, Ac 9:4; id. c. gen., Mk 9:20; πρὸς τ. πόδας, Ac 5:10, Re 1:17; πεσὼν ἐξέψυξε, Ac 5:5; of supplication, homage or worship: πρὸς (παρὰ, ἐπὶ) τ. πὸδας, Mk 5:22, Lk 8:41, Ac 10:25, al.; π. καὶ προσκυνεῖν, Re 5:14 19:4; ptcp. c. προσκυνεῖν, Mt 2:11, al.; ἐνώπιον, Re 4:10 5:8; ἐπὶ πρόσωπον, Mt 26:39, al.; (b) of things, to fall, fall down: Mt 21:44, Lk 23:30; of falling to ruin and destruction, Mt 7:25, Ac 15:16, He 11:30; ἔπεσε (timeless aorist; M, Pr.,134), Re 18:2. Metaph.: Ro 11:11; πόθεν πέπτωκας, Re 2:5; opp. to ἑστάναι, I Co 10:12; to στήκειν, Ro 14:4; of virtues, I Co 13:8; of precepts, Lk 16:17. (Cf. ἀνα-, ἀντι-, ἀπο-, ἐκ-, ἐπι-, κατα-, παρα-, περι-, προσ-, συν-πίπτω.)

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀναπίπτω G377 "gaan liggen, achterover leunen"; Grieks ἀντιπίπτω G496 "tegemoet vallen"; Grieks ἀποπίπτω G634 "afvallen, wegglijden van"; Grieks διοπετής G1356 "gevallen (uit de hemel)"; Grieks ἐμπίπτω G1706 "vallen"; Grieks ἐπιπίπτω G1968 "bevangen, terugvallen op"; Grieks καταπίπτω G2667 "vallen, neervallen"; Grieks παραπίπτω G3895 "afwijken van de rechte weg, zich afwenden, zwerven"; Grieks περιπίπτω G4045 "vallen"; Grieks πέτομαι G4072 "vliegen"; Grieks προπετής G4312 "vooroverhellend"; Grieks προσπίπτω G4363 "voorover vallen, neervallen"; Grieks πταίω G4417 "struikelen, dwalen, zondigen"; Grieks πτοέω G4422 "verbijsteren, bang maken"; Grieks πτῶμα G4430 "val, ongeluk, ongeval"; Grieks πτῶσις G4431 "vallen";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

BoekenBoeken