G4238 πράσσω
uitoefenen, praktiseren, ondernemen, staatszaken beheren
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 39x voor in 10 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

prasso̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πράσσω, (Att. -ττω, and so Ac 17:7 Rec.; cf. M, Pr., 25, 45), [in LXX chiefly for עשׂה H6213, פָּעַל H6466;] = Lat agere, as ποιέω (q.v.) = facere, 1. to do, practise, be engaged in: Ac 19:19, 36, I Co 9:17; τ. ἴδια π., to mind one's own business (τὰ ἑαυτοῦ, Soph., Plat.), I Th 4:11; intrans., to act, Ac 17:7. 2. to achieve, effect, accomplish, perform: Ac 26:20, 26, Ro 7:15 9:11, II Co 5:10, Phl 4:9; νόμον (ICC, in l.), Ro 2:25; of unworthy acts (for wh. usually ποιέω in cl.), to commit, do: Lk 22:23 23:41, Jo 3:20 5:29, Ac 3:17 5:35 16:28 25:11, 25 26:9, 31, Ro 1:32 (ICC, in l.), 2:1-3 7:19 13:4, I Co 5:2, II Co 12:21, Ga 5:21. 3. to transact, manage, hence, of payment, to exact (cl.): Lk 3:13 19:23. 4. Reflexively, of state or condition, to do or fare (Æsch., Hdt., al.): Eph 6:21; εὖ π. (v. M, Pr., 228 f.), Ac 15:29.†

SYN.: v.s. ποιέω G4160.


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ποιέω G4160 "maken"; Grieks πρᾶγμα G4229 "daad, voldongen feit"; Grieks πράκτωρ G4233 "dader"; Grieks πρᾶξις G4234 "handeling, handelszaak";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel