G4245_πρεσβύτερος
ouder, ouderling, oudste
Taal: Grieks

Onderwerpen

Oudsten, Ouderling,

Statistieken

Komt 67x voor in 13 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

presbyteros, bn, comparatief van presbus (oudere); TDNT - 6:651,931;


1) ouder, in leeftijd, πρεσβυτερω oude man (1 Tim. 5:1), πρεσβυτερας oude vrouw (1 Tim. 5:2); 1a) de oudste van twee mensen; 1b) gevorderd in jaren, ouder; 1b1) voorouders; 2) een term voor een rang of ambt; 2a) onder de Joden; 2a1) leden van de grote raad of het Sanhedrin (omdat in vroeger jaren de bestuurders van het volk, rechters, enz., uit de oudere mannen gekozen werden); 2a2) van hen die in afzonderlijke steden de staatszaken regelden en recht spraken; 2b) onder gelovigen zij aan de hoofd stonden van de gemeentes. Het N.T. gebruikt de termen bisschop, oudste en presbyter door elkaar; 2c) de vierentwintig leden van het hemelse Sanhedrin of hof die op tronen zitten rond de troon van God;


Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πρέσβυς, -εως, ὁ, poët. form of πρεσβύτης (q.v.), [in LXX (= πρεσβευτής, an ambassador): Nu 21:20 (21), al. (מַלְאָךְ H4397), Is 13:8 57:9 (צִיר H6735), I Mac 9:70, al.;] an old man. Compar., πρεσβύτερος, , -ον, [in LXX chiefly for זָקֵן H2204 1. of age, elder: ὁ νἱὸς ὁ π., Lk 15:25; as subst., opp. to νεανίσκοι, Ac 2:17; to νεώτερος, I Ti 5:1, 2; of the religious leaders of the past, Mt 15:2, Mk 7:3, 5, He 11:2 (= οἱ πατέρες, He 1:1). 2. Of dignity, rank or office (as found in π. and Inscr. of civil and religious offices, including priesthood, in Asia Minor and in Egypt; v. Deiss., BS, 154 ff., 233 ff.; LAE (a) among Jews: Mt 16:21 26:47, 57 27:3, 12, 20, 41 28:12, Mk 8:31 11:27 14:43, 53 15:1, Lk 7:3 9:22 20:1 22:52, Jo 8:[9], Ac 4:5, 8, 23 6:12 23:14 24:1; τ. Ἰουνδαίων, Ac 25:15; τ. λαοῦ, Mt 21:23 26:3 27:1; (b) among Christians: Ac 11:30 14:23 15:2, 4, 6, 22, 23 16:4 21:18, I Ti 5:17, 19, Tit 1:5, II Jn 1, III Jn 1, I Pe 5:1, 5; τ. ἐκκλησίας, Ac 20:17, Ja 5:14; (c) in the visions of the Apocalypse: Re 4:4, 10 5:5, 6, 8, 11, 14 7:11, 13 11:16 14:3 19:4. (On the NT use of this word and its relation to ἐπίσκοπος (q.v.), cf. Lft., Phl., 93 ff., 189 ff.; CGT, Past. Epp., lvi ff.) †

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

Related to: πρεσβῠτέριον
  or πρεσβῠ-εῖον, τό, council of elders, presbytery, NT.Luke.22.66, NT.Act.22.5, NT.1Tim.4.14.
__II honour or privilege of an elder, 2nd c.AD(?): Theodotion LXX “Su.” 50. +2nd c.AD+

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks πρεσβεύω G4243 "ouder zijn, gezant zijn"; Grieks πρεσβυτέριον G4244 "vergadering of raad der oudsten, senaat, raad"; Grieks πρεσβύτης G4246 "oude man, gezant"; Grieks συμπρεσβύτερος G4850 "mede-oudste";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs