G4487 ῥῆμα
rede, toespraak
Taal: Grieks

Onderwerpen

Redevoering, Woorden,

Statistieken

Komt 69x voor in 12 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

rhēma, van ῥέω G4483; TDNT 4:69,505


A.1) dat wat gezegd is "uitspraak", "gezegde" (Thucydides, Histories, 5.111; Plato, Phaedo, 102b; Plato, Gorgias, 450e); 2) frase (Plato, Cratylus, 399b; Aeschines, Against Ctesiphon, 72; Plato, Laws, 840c); 3) onderdeel van een zin, als Hebraïsme (Lukas 1:37, 65; 2:15; LXX Deut. 2:7);

B.1) als werkwoord, van het feit dat een werkwoord gewoonlijk het predikaat vormt (Plato, Sophist, 262a; Plato, Cratylus, 425a)


Hedendaagse betekenis

In de taalkunde is rhema het deel van een zin dat niet tot het thema behoort (zie hierboven A.3). De term wordt vooral in de functionalistische taalkunde en de tekstlinguïstiek gebruikt om tot een thema-rhema-indeling te komen.

Voorbeelden: 

  1. Wat doe je morgen?
  2. Morgen komt Eva.

In 1) is morgen rhematisch in 2) is het thematisch, komt Eva is nu rhema. De accentuering ondersteunt doorgaans deze thema-rhema-geleding: morgen in 1) en Eva in 2) dragen het zinsaccent (Colloquium Neerlandicum 13 (1997), Nederlands 200 jaar later. Handelingen dertiende Colloquium Neerlandicum, p. 353).


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ῥῆμα, -τος, τό [in LXX chiefly for דָּבָר H1697, also for פֶּה H6310, and Aram. פִּתְגָּם H6600, etc. ;] 1. prop., of that which is said or spoken, (a) a word: Mt 27:14, II Co 12:4; pl., τὰ ῥ., of speech, discourse, Lk 7:1, Jo 8:20, Ac 2:14, Ro 10:18, II Pe 3:2, al.; (b) opp. to ὄνομα (a single word), a saying, statement, word of prophecy, instruction or command (in cl., phrase): Mt 26:75, Mk 9:32, Lk 1:38 2:50, Ac 11:16, Ro 10:8, He 11:3; ῥ. θεοῦ (κυρίου), Lk 3:2, Ac 11:16, Eph 6:17, He 6:5 11:3, I Pe 1:25 (LXX); τὰ ῥ. τ. θεοῦ, Jo 3:34 8:47; ῥ. ἀργόν, Mt 12:36;ῥ. ἄρρητα, II Co 12:4. 2. Like Heb.דָּבָר H1697 (but perh. also a Gk. colloquialism, v. Kennedy, Sources, 124; Thackeray, Gr., 41), of that which is the subject of speech, a thing, matter (Ge 15:1, De 17:8, al.): Lk 1:37 2:15, Ac 10:37; pl., Lk 1:65 2:19, 51, Ac 5:32 13:42

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

ῥῆμα, ατος, τό,
  (ἐρῶ) that which is said or spoken, word, saying, Archilochus Lyricus 50, Theognis Elegiacus 1152, Simonides Lyricus 37.14, 92 (where perhaps it ={ῥήτρα} 11.2), Pindarus Lyricus (see. below), etc.; in Prose first in Herodotus Historicus (assuming variant), ὁ νόος τοῦ ῥ. 7.162; τὰ λεγόμενά τινων ῥήματα 8.83 ; τοῦ Πιττακοῦ.. περιεφέρετο τοῦτο τὸ ῥ. Plato Philosophus “Protagoras” 343b ; τὸ δόγμα τε καὶ ῥ. prev. author “R.” 464a ; opposed to ἔργματα, Pindarus Lyricus “N.” 4.6 ; opposed to ἔργον, Thucydides Historicus 5.111 ; opposed to τὸ ἀληθές, Plato Philosophus “Phaedo” 102b: proverbial, ῥήματα ἀντ᾽ ἀλφίτων 'fine words butter no parsnips', cited in 1Suidas Legal icographus; ῥήματα πλέκων Pindarus Lyricus “N.” 4.94 ; ῥήματα θηρεύειν catch at one's words, Andocides Orator 1.9 ; ῥ. ἱπποβάμονα, ῥ. μυριάμφορον, Aristophanes Comicus “Ranae” 821, “Pax” 521 ; ῥήματος ἐχόμενον depending on the word, Plato Philosophus “Leges” 656c ; τῷ ῥ. τῷ τόδε προσχρώμενοι the word τόδε, prev. author “Ti.” 49e ; τῷ ῥ. λέγειν, εἰπεῖν, say in so many words, prev. author “R.” 340d, “Grg.” 450e, compare “Tht.” 166d ; κατὰ ῥῆμα ἀπαγγεῖλαι word for word, Aeschines Orator 2.122.
__2 phrase, opposed to ὄνομα (a single word), Plato Philosophus “Cratylus” 399b, Aeschines Orator 3.72; λέγοντες ἐν μύθοις τε καὶ ἐν ῥήμασιν Plato Philosophus “Leges” 840c.
__2.b verse, line, Aristophanes Comicus “Ranae” 1379, compare 97.
__3 subject of speech, matter, Hebraism in LXX and NT, LXX.Gen.15.1, 22.1, LXX.Deu.2.7, NT.Luke.1.37, 65, 2.15; compare ῥητός IV. 2. +NT
__II Grammars, verb, opposed to ὄνομα (noun), Plato Philosophus “Sophista” 262af, “Cra.” 425a, al., Aristoteles Philosophus “Poetica” 1457a14, Diogenes Babylonius Stoicus 3.213 :— from the fact that a Verb usually forms the predicate (Aristoteles Philosophus “de Interpretatione” 16b6), ῥῆμα is applied to an adjective when used as a predicate, prev. work 16a13, 20b1.
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ῥέω G4483 "spreken (zullen)";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij