G5043 τέκνον
nakomelingen, kinderen, kind
Taal: Grieks

Onderwerpen

Kinderen,

Statistieken

Komt 99x voor in 23 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

zn o, van de grondvorm van G05098; TDNT - 5:636,759;


1) nakomelingen, kinderen
1a) kind
1a) een mannelijk kind, een zoon
1b) metaf.
1b1) de naam overgedragen op die intieme en wederzijdse betrekking tussen mensen gevormd door banden van liefde, vriendschap, vertrouwen als tussen ouders en kinderen

1b2) in hartelijke toespraken door bazen, helpers, leraars en dergelijken: mijn kind
1b3) in het N.T. worden leerlingen kinderen van hun leraars genoemd, omdat dezen door hun onderwijs de gedachten van hun leerlingen voeden en hun karakter vormen
1b4) kinderen van God: in het O.T. van "kinderen Israëls" als vooral dierbaar voor God, in het N.T., in de brieven van Paulus, allen die door de Geest van God geleid worden en dus nauw met God verbonden zijn
1b5) kinderen van de duivel: zij die in gedachten en daden door de duivel worden aangezet en zo zijn karakter weerspiegelen
1c) metaf.
1c1) van alles wat afhankelijk is, vervuld is van een verlangen of liefde voor
1c2) iemand die onderworpen is aan een lot
1c2a) zo kinderen van een stad: de burgers en inwoners ervan
1c3) de aanhangers van wijsheid, en zodoende zij die als het ware door wijsheid worden gevoed en gevormd
1c4) vervloekte kinderen, onderworpen aan en vloek en veroordeeld tot de straf van God

Voor synoniemen, zie G05868


Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

τέκνον, -ου, τό (< τίκτω), [in LXX chiefly for בֵּן H1121, also for יֶלֶד H3206, etc. ;] that which is begotten, born (cf. Scottish bairn), a child of either sex: Mk 13:12, Lk 1:7, Ac 7:5; pl., Mt 7:11, Mk 7:27, Lk 1:17, Eph 6:1, al.; τέκνα ἐπαγγελίας, Ro 9:8; τ. τῆς σαρκός, ib.; in a wider sense (as Heb. בָּנִים H1121), of posterity, Mt 2:18, Lk 3:8, al.; specif., of a male child, Mt 21:28, Ac 21:21, a,l.; in voc. as a form of kindly address from an elder to a junior or from a teacher to a disciple, Mt 9:2 21:28, Mk 2:5, Lk 2:48; τ. μου (= cl. τ. μοι; v. Bl., §37, 5), Ga 4:19 (τεκνία, WH, txt.), II Ti 2:1 (a) of disciples (apart from direct address, v. supr.): Phm 10, I Ti 1:2, Tit 1:4, III Jo 4; (b) with reference to the Fatherhood of God (v.s. πατήρ, γεννάω), τέκνα τ. θεοῦ (cf. Is 30:1, Wi 16:21): Ro 8:16, Eph 5:1, Phl 2:15; and esp. in Johannine bks. (cf. Westc, Epp. Jo., 94, 120), Jo 1:12, I Jo 3:1 al.; (c) of those who imitate others and are therefore regarded as the spiritual offspring of their exemplars: Mt 3:9, Lk 3:8, Jo 8:39, Ro 9:7, I Pe 3:6; τ. διαβόλου, I Jo 3:10; (d) as in Heb. (LXX, Jl 2:23, Ps 149:2, I Mac 1:38), of the inhabitants of a city: Mt 23:37, Lk 13:34 19:44, Ga 4:25; (e) with an adjectival gen., freq. rendering a Heb. expression, adopted from LXX or formed on the analogy of its language, but sometimes with parallels in Gk. writers (v. Deiss., BS, 161ff.): τέκνα φωτός, Eph 5:8; τ. ὑπακοῆς, I Pe 1:14; κατάρας, II Pe 2:14; ὀργῆς, Eph 2:3.

SYN.: v.s. παῖς.

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

τέκνον, τό,
  (τίκτω,--οὐκ ἔστι μήτηρ ἡ κεκλημένου τέκνου τοκεύς, τροφὸς δὲ.. Aeschylus Tragicus “Eumenides” 658) , child, ἄλοχοι καὶ νήπια τέκνα Ilias Homerus Epicus “Illiad” 2.136, al.; πατρὸς σωφροσύνη μέγιστον τέκνοις παράγγελμα Democritus Epigrammaticus 208, compare 222; τέκνα καὶ γυναῖκες Herodotus Historicus 1.164, 2.30, “SIG” 569.10 (Cos, 3rd c.BC), al., Polybius Historicus 2.58.9, 9.39.3 ; γυναῖκες καὶ τ. Herodotus Historicus 6.19, al., Polybius Historicus 5.78.1 (compare 10.34.3), “SIG” 633.46 (Milet., 2nd c.BC), “BGU” 1811.5 (1st c.BC) , etc.: the singular is used by Homerus Epicus only in vocative, as a form of address from elders to their youngers, my son, my child, sometimes with masculine adjective, φίλε τέκνον Ilias Homerus Epicus “Illiad” 22.84, Odyssea Homerus Epicus “Odyssey” 2.363, al. : the relative pronoun or Participle sometimes follows in masculine or feminine, Pindarus Lyricus “Fragmenta.” 171, Euripides Tragicus “Supplices” 12f, “Tr.” 740 :—the word is used in Prose at Cyrene, “Berl.Sitzb.” 1927.160, and Epidaurus, “IG” 42(1).122.82 (4th c.BC), al., but is rarer than παῖς in Attic dialect Prose, Lysias Orator 2.74, 11.10, 12.96, Demosthenes Orator 11.9, Dinarchus Orator 1.109; frequently in Xenophon Historicus, “Lac.” 1.8, al., also Aristoteles Philosophus, “Pol.” 1253b7, al., and later, “PPetr.” 3p.237 (3rd c.BC), “PCair.Zen.” 620.9 (3rd c.BC), LXX.Gen.3.16, al., “PAmh.” 2.35.55 (2nd c.BC), Polybius Historicus (see. above)+5th c.BC+; rare in Comedy texts except in paratragoedic passages, Aristophanes Comicus “Acharnenses” 891, al. ; in Trag. it is generally used with especially reference to the mother, ὦ τέκνον Νηρῇδος, ὦ παῖ Πηλέως Euripides Tragicus “Iphigenia Aulidensis” 896 (troch.) ; Ἀγαμέμνονος παῖ (sic codices) καὶ Κλυταιμήστρας τέκνον prev. author “IT” 238.
__2 of animals,young, Odyssea Homerus Epicus “Odyssey” 16.217, Ilias Homerus Epicus “Illiad” 2.311, 12.170, al., Aeschylus Tragicus “Septem contra Thebas” 292 (Lyric poetry), Herodotus Historicus 2.66, 3.102, 109, Xenophon Historicus “Institutio Cyri (Cyropaedia)” 4.1.17, Aristoteles Philosophus “de Generatione Animalium” 753a8, etc.
__3 metaphorically, flowers are γαίας τέκνα Aeschylus Tragicus “Persae” 618; birds αἰθέρος τέκνα Euripides Tragicus “Electra” 897 ; frogs λιμναῖα κρηνῶν τ. Aristophanes Comicus “Ranae” 211, etc. The penultimate is long in Homerus Epicus ; it is occasionally long in Trag.(e.g. Sophocles Tragicus “Philoctetes” 249, 260, 875, 914) , but much more frequently short, as always in old Comedy texts, e.g. Aristophanes Comicus “Lysistrata” 7, “Th.” 469, al. , except in mock Tragic passages, e.g. Aristophanes Comicus “Vespae” 1518 (Lyric poetry) ; but sometimes long in later Comedy texts, Antiphanes Comicus 163.6.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἄτεκνος G815 "kinderloos"; Grieks τεκνίον G5040 "klein kind"; Grieks τεκνογονέω G5041 "kinderen verwekken of baren"; Grieks τεκνοτροφέω G5044 "kinderen grootbrengen"; Grieks τιμωρία G5098 "wraak, straf, hulp, bijstand"; Grieks φιλότεκνος G5388 "liefhebben (zijn kinderen)";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel