G5101 τίς
wie, welke, wat
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 568x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

tis, vnw waarschijnlijk nadrukkelijk van τὶς G05100;


wie, welke, wat


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

τίς, neut., τί, gen., τίνος, interrog. pron., [in LXX for מָה ,מִי H4100,H4310 ;] in masc. and fem., who, which, what?; in neut., which, what? I. 1. masc., fem.: τίς; who, what?, Mt 3:7 26:68; Mk 11:28, Lk 9:9, al. mult.; c. gen. partit., Ac 7:52, He 1:5, al; seq. ἐκ (= gen. partit.), Mt 6:27, Lk 14:28, Jo 8:46; = ποῖος, Mk 4:41 6:2, Lk 19:3, Ac 17:19, al.; = πότερος (M, Pr., 77), Mt 21:31 27:17, Lk 22:27, al.; = ὅς or ὅστις (rare in cl.; cf. Bl., §50, 5; M, Pr., 93), Ac 13:25. 2. Neut.: τί; what?, Mt 5:47 11:7, Mk 10:3, al.; χάριν τίνος, I Jo 3:12; διὰ τί, Mt 9:11, al.; εἰς τί, Mt 14:31, al.; elliptically, ἵνα τί (sc. γένηται), why, Mt 9:5, al.; τί οὖν, Ro 3:9 6:1, 15 I Co 14:15, al.; τί γάρ, Ro 3:3, Phl 1:18; τί ἐμοὶ (ὑμῖν) καὶ σοί, v.s. ἔγω. II. As adj.: who? what? which?, Mt 5:46, Lk 14:31, Jo 2:18, al. III. As adv.: = διὰ τι (τί ὅτι), why, Mt 6:28, Mk 4:40, Lk 6:46, Jo 18:23, al.; in rhet. questions, = a negation, Mt 27:4, Jo 21:22, 23 I Co 5:12 7:16, al. in exclamations (like Heb. מָה H4100), how (II Ki 6:20, Ps 3:2, al.), Lk 12:49.
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks διατί G1302 "door, daarom, aangezien, derhalve"; Grieks ἱνατί G2444 "waarom, waartoe"; Grieks τὶς G5100 "enige, enige tijd, een poosje, zeker iemand, een zekere";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs