G5401 φόβος
vrees, schrik
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 47x voor in 16 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

fobos̱, zn. m, van φέβομαι phebomai "vluchten uit vrees" (LSJ); TDNT - 9:189,1272;


1) vrees, schrik, angst; 1a) dat wat schrik inboezemt; 2) eerbied voor iemands echtgenoot;


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

φόβος, -ου, ὁ [in LXX chiefly for יִרְאָה H3374, also for פַּחַד H6343, אֵימָה H367, etc. ;] 1. in Hom., flight. 2. That which causes flight, fear, dread, terror: Lk 1:12, Ac 5:5, I Ti 5:20. I Jn 4:18, al.; cogn. acc., φοβεῖσθαι φ., Mk 4:41, Lk 2:9; c. gen. obj., Jo 7:13 19:33 20:19, He 2:5, I Pe 3:14 (but cf. ICC, in l.);ἀπὸ (τοῦ) φ., Mt 14:26, Lk 21:26; εἰς φ., Ro 8:15; μετὰ φόβου, Mt 28:8; φ. καὶ τρόμος (Lft., Notes, 172), I Co 2:3, II Co 7:15, Eph 6:5, Phl 2:12; by meton., of that which causes fear, Ro 13:3; of reverential fear, Ro 13:7, I Pe 1:17 2:18 3:2, 15; τ. κυρίου, Ac 9:31, II Co 5:11 (v. Field, Notes, 183); Χριστοῦ, Eph 5:21; θεοῦ, Ro 3:18, II Co 7:1

SYN.: v.s. δειλία G1167 (and of. DCG, i, 381)


Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀφόβως G870 "vrees (zonder), onbeschroomd"; Grieks ἔμφοβος G1719 "bevreesd, verschrikt"; Grieks φοβερός G5398 "foberoV"; Grieks φοβέω G5399 "vrezen";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker