G5590 ψυχή
adem, levensadem. ziel, psyche, Psychologie
Taal: Grieks

Onderwerpen

Psychologie, Ziel,

Statistieken

Komt 105x voor in 19 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

psu'che, zn vr; van ψυχω G5594; Hebreeuws נֶפֶשׂ H05315; TDNT - 9:608,1342;


adem

  1. de levensadem
    1. de levenskracht die het lichaam bezielt en zich in het ademen toont
      1. van dieren
      2. van mensen
  2. leven
  3. dat waarin leven is
    1. een levend wezen, een levende ziel

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ψυχή, -ῆς, ἡ, [in LXX very freq. for נֶפֶשׁ H5315, sometimes for לֵבַב ,לֵב H3842,H3820, etc. ;] 1. breath (Lat. anima), breath of life, life (Hom., al.; in Arist., of the vital principle): Mt 6:25, Mk 3:4 10:45, Lk 12:22, Jo 10:11, Ac 20:10, 24, II Co 1:23, Phl 2:30, I Th 2:8, al. 2. the soul (a) as the seat of the will, desires and affections: Mt 26:38, Mk 12:30 (LXX) 14:34, Lk 1:46, Jo 10:24, Ac 14:2, Phl 1:27, al.; ἐκ ψυχῆς, from the heart, heartily: Eph 6:6, Col 3:23; (b) as a periphrasis for person or self (freq. in translation from Semitic originals, v. M, Pr., 87; Robinson, Gospels, 113 ff.; but also freq. in cl., v. LS, s.v. II, 2; Edwards, Lex., App. A.): Mt 11:29, Mk 8:36, Ac 2:41, Ro 2:9, I Pe 3:20, al.; πᾶσα ψ., Ac 2:43 3:23 (LXX), Ro 13:1; ψ. ζῶσα (ζωῆς), I Co 15:45, Re 16:3; (c) as the object of divine grace and eternal salvation: He 13:17, Ja 1:21 5:20, I Pe 1:9, 22 2:11 4:19, III Jo 2.

SYN.: v.s. νοῦς, πνεῦμα, ψυχικός, and cf. ICC on I Th 5:23, Lft., Notes, 88 f.


de ziel

  1. de zetel van de gevoelens, verlangens, voorkeur en afkeur (ons hart, onze ziel, enz.)
  2. de (menselijke) ziel in zoverre deze zodanig gevormd wordt dat zij door het juiste gebruik van de hulp die haar door God geboden wordt, de hoogste eeuwige zegeningen kan verkrijgen, de ziel beschouwd als het morele wezen dat voor het eeuwige leven bestemd is
  3. de ziel als een wezenlijk iets dat van het lichaam verschilt en door de dood niet verdwijnt (in onderscheid van de andere delen van het lichaam)

Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἄψυχος G895 "levenloos, zielloos"; Grieks δίψυχος G1374 "onbesloten, twijfelend"; Grieks εὐψυχέω G2174 "vrolijk zijn"; Grieks ζωή G2222 "leven"; Grieks θυμός G2372 "hartstocht, hitte, toorn, opwelling"; Grieks ἰσόψυχος G2473 "gelijkgezind"; Grieks νοῦς G3563 "denken (het), denkvermogen, verstand, gevoelens, voornemens, verlangens"; Grieks πνεῦμα G4151 "luchtbeweging, geest, levensbeginsel"; Grieks σύμψυχος G4861 "eensgezind, unaniem"; Grieks φάγω G5315 "eten"; Grieks ψυχικός G5591 "van of behorend tot de adem"; Grieks ψύχω G5594 ""; Hebreeuws חַי H2416 "dieren, gedierte, dier(en), leven (ww), leven (zn), levend";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Hadderech