H1290 בֶּרֶךְ
knieen, knie, uit zijn knielende houding, knie
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Knie (lichaamsdeel),

Statistieken

Komt 26x voor in 13 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

berek, zn. vrl.; TWOT 285a; cf. Akk. birku, barku “knie” (birku also appears in an Emar lexical text as barku: šar DÙG bá-ar-ku (Emar 6, 537: 276; for the wrong Sum. pronunciation šar see M. Civil apud Pentiuc). A similar vowel alternation a/i is also found in talpānu (Emar) / tilpānu (core Akk.). The Semitic cognates are Hebrew bérek, Aramaic birkā and probably Ethiopian bərk with ə < *u, *i (Pentiuc 2001, 37).)


1) lichaamsdeel knie (Gen. 30:3; 48:12; 50:23; etc.), dualis בִּרְכַּיִם (Deut. 28:35); 1a) als plek waar kinderen worden geboren (Gen. 30:3; 50:23; Job 3:12), als nageslacht (Gen. 48:12)



Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

בֶ֫רךְ n.f. knee

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H1290 בֶּרֶךְ berek; from 1288; a knee — knee.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws בָרַךְ H1288 "knielen, zegenen"; Aramees בֶּרֶךְ H1291 "knieen"; Hebreeuws בֶּרֶכְיָה H1296 "Berechja, Berekja";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

BoekenBoeken