Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
gālal, ww., TWOT 353;
1) qal rollen, wenden (Gen. 29:3, 8, 10; Ps. 22:9); 1a) nifal gerold worden (Jes. 34:4; Am. 5:24); 1b) hifil (Gen. 29:10 ?); 1c) poel gerold zijn, gewenteld zijn (Jes. 9:5); 1d) hitpoel (zich) wentelen, rollen (Gen. 43:18; 2 Sam. 20:12); 1e) pilel doen rollen, wentelen (Jer. 51:25); 1f) hitpalel komen aanrollen (Job 30:14);
