H1984 הָלַל
loven, beroemen zich -, roemen (zich), halleluja, prijzen, schijnen
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Hallel (lofzang), Lofprijzing, Zanger,

Statistieken

Komt 167x voor in 19 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

hālal,


1) "schijnen" (Job 29:3; 31:26); 1a) cf. הֵילֵל בֶּן - שָׁחַר (hêlēl ben-šāḥar, "Helel zoon van Shachar"; Job 14:12)



Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

[הָלַל] vb. be boastful, Pi. praise Qal be boastful Pi 1 praise man or woman 2 usually praise י׳ 3 appar. boast, make one’s boast Pu. be praised Hithpa. glory, boast, make one’s boast Po‛el make into a fool, make a fool of Po‛al of laughter I said, It is mad (folly) Hithpo. act madly, or like a madman

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H1984 הָלַל hâlal; a primitive root; to be clear (orig. of sound, but usually of color); to shine; hence, to make a show, to boast; and thus to be (clamorously) foolish; to rave; causatively, to celebrate; also to stultify — (make) boast (self), celebrate, commend, (deal, make), fool(-ish, -ly), glory, give (light), be (make, feign self) mad (against), give in marriage, (sing, be worthy of) praise, rage, renowned, shine.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws הוֹלֵלָה H1947 "verdwaasdheid, onzinnigheden"; Hebreeuws הוֹלֵלוּת H1948 "domheid , dolligheid"; Hebreeuws הֵילֵל H1966 "morgenster"; Hebreeuws הִלּוּל H1974 "feest vieren, tot een lofprijzing, lofliederen maken, ter lofzegging voor"; Hebreeuws הִלֵּל H1985 "Hillel"; Hebreeuws יְהַלֶּלְאֵל H3094 "Jehalelel, Jehaleel"; Hebreeuws מַהֲלָל H4110 "praise"; Hebreeuws תְּהִלָּה H8416 "praise"; Hebreeuws תׇּהֳלָה H8417 "folly";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Hadderech