H1992 הֵם
alle, deze(n), al wat, diezelve, daarmede, zij, die, dat, hen, daarvoor, dit, dezelve
Taal: Hebreeuws

Statistieken

Komt 826x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie



Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

הֵ֫מָּה and הֵם (without appreciable distinction in usage, except prob. in so far as the longer or shorter form was better adapted to the rhythm of particular sentences) pron. 3 pl. masc. they

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H1992 הֵם hêm; or (prolonged) הֵמָּה; masculine plural from 1931; they (only used when emphatic) — it, like, × (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, × so, × such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye.

Synoniemen en afgeleide woorden

Aramees אִנּוּן H581 "die, hen, zijn"; Aramees הֲלַךְ H1981 "wandelen"; Aramees הִמּוֹ H1994 "doen wonen, ze, beletten, de mannen, doen staken, die, doen wonen, deze, die mannen";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel