H2263 חָבַק
omarmen, omhelzen, arm in den - nemen, omvangen, slaan over elkander -, samenvouwen
Taal: Hebreeuws

Statistieken

Komt 13x voor in 7 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

חָבַק ḥābaq "omarmen, omhelzen"; ww primitieve stam; TWOT - 597


omarmen, omhelzen, grijpen


Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

[חָבַק] vb. clasp, embrace Qal embrace Pi. embrace

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H2263 חָבַק châbaq; a primitive root; to clasp (the hands or in embrace) — embrace, fold.

Qal 1) omarmen, omhelzen 2) zijn handen over elkaar slaan (nietsdoende) (fig.)


Piel 1) iemand omarmen of omhelzen (Gen. 29:13; 33:4; 48:10; Job 24:8; Spr. 4:8; Pred. 3:5; Klaagl. 4:5) en 2) strelen of seksueel stimuleren van een geliefde (Spr. 5:20; Hoogl. 2:6; 8:3) (HALOT 287 s.v. חבק; BDB 287 s.v. חָבַק).


Voorkomend in de LXX als: συνερχομαιG4905 "bijeenkomen"; συνεχωG4912 "samenhouden, bijeenhouden"; περιβαλλωG4016 "rondom werpen, rondom plaatsen";


Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker