H3027 יָד
hand, dienst, plaats, handinstrument
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Hand (lichaamsdeel),

Statistieken

Komt 1710x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

zn, TWOT - 844


1) hand; 1a) arm (Gen. 3:22); 1b) poot van een dier (Gen. 9:5); 2) als uitdrukking בְּיַד־ bəyaḏ- door de hand van gevolgd door een eigennaam (bv. בְּיַד־חַגַּ֣י bəyaḏ-ḥagay Hag. 1:1) wordt vaker gebruikt als aanduiding van een menselijke boodschapper (Num. 15:23; 1 Kon. 12:15; Jes. 20:2; Jer. 37:2; Mal. 1:1); 2b) een strekkende hand met als doel om vernietigend toe te slaan (Richt. 15:15 de strekkende hand van Simson; Ex. 3:20; 7:5; 9:15; 15:6; Ps. 118:15-16; etc. de strekkende hand van God); 3) symbolisch "Zie uw dienstmaagd is in uw hand" (Gen. 16:6)


Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

יָד 1604 n.f. hand 1 hand 2 Fig. = strength, power 3 Fig. = side 4 יָד a sign, monument b part, fractional part or share c time, repetition d axle-trees e stays, supports for laver f tenons on sides of boards of tabernacle g a (beckoning) hand 5 יַד with prep.

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H3027 יָד yâd; a primitive word; a hand (the open one [indicating power, means, direction, etc.], in distinction from 3709, the closed one); used (as noun, adverb, etc.) in a great variety of applications, both literally and figuratively, both proximate and remote [as follows] — ( be) able, × about, armholes, at, axletree, because of, beside, border, × bounty, broad, (broken-) handed, × by, charge, coast, consecrate, creditor, custody, debt, dominion, × enough, fellowship, force, × from, hand(-staves, -y work), × he, himself, × in, labour, large, ledge, (left-) handed, means, × mine, ministry, near, × of, × order, ordinance, × our, parts, pain, power, × presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, swear, terror, × thee, × by them, × themselves, × thine own, × thou, through, × throwing, thumb, times, × to, × under, × us, × wait on, (way-) side, where, wide, × with (him, me, you), work, yield, × yourselves.

Voorkomend in de LXX als: αγγελοςG32 "boodschapper, gezant, engelen"; βραχιωνG1023 "arm (lichaamsdeel)"; βροχοςG1029 "lus, strop, strik"; δακτυλοςG1147 "vinger"; δοξαG1391 "mening, oordeel, gezichtspunt"; δυναμιςG1411 "sterkte, macht, bekwaamheid"; εντοληG1785 "bevel, opdracht, voorschrift"; μεροςG3313 "deel (een), lot, bestemming"; μετρονG3358 "maatstaf, meetstok"; οριονG3725 "grenzen"; πηχυςG4083 "el, lengtemaat"; τοποςG5117 "plaats, ruimte"; χειλοςG5491 "lip"; χειρG5495 "ceir"; αναγκηG318 "noodzaak"; αδικεωG91 "misdadiger zijn, schade doen, krenken, kwetsen, beschadigen"; πλησσωG4141 "slaan, treffen"; διαδοχοςG1240 "opvolgend, opvolger";


Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Aramees יַד H3028 "hand, geweld, macht, mensenhanden, bezit, bezitten"; Hebreeuws יָדָה H3034 "dankzeggen, prijzen, lofzingen, werpen, schieten, neerslaan, belijden (zonde), belijden (naam van Go"; Hebreeuws יַךְ H3197 "aan de kant van de weg , aan de zijde van de weg"; Hebreeuws כַּף H3709 "schaal, hand, reukschaal, rookschaal, greep, handpalmen, voetzool, macht";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Electronica algemeen