H8598_ תַּפּוּחַ
abrikoos, appel, appelboom
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Appel, Abrikoos,

Statistieken

Komt 6x voor in 3 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

van H05301; TWOT - 1390c; n m


1) "appel, appelboom, abrikoos" (zie het artikel Appel over de determinatie van deze vrucht); Het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord תַּפּוּחַ is afgeleid van het Hebreeuwse stam נָפַח (nāpaḥ, 'geur, adem"), welke gerelateerd is aan de Arabische stam nafahu "geurige geur" (HALOT 708 SV נפח). Vandaar dat de term verwijst naar een vrucht met een geurige geur.



Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

תַּפּוּחַ n.[m.] apple-tree, apple

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H8598 תַּפּוּחַ tappûwach; from 5301; an apple (from its fragrance), i.e. the fruit or the tree (probably includ. others of the pome order, as the quince, the orange, etc.) — apple (tree). See also 1054.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws בֵּית תַּפּוּחַ H1054 "Bet-tappuah , Beth-tappuah"; Hebreeuws נָפַח H5301 "blown, breathe, seething, snuffed, lose, blow"; Hebreeuws עֵין תַּפּוּחַ H5887 "Entappuah"; Hebreeuws תַּפּוּחַ H8599 "Tappuah";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij