Wonderboom
קִיקָיוֹן H7021 "wonderboom, Ricinus communis",

Zie ook: Artikelen Blog, Planten / Flora,

De Ricinus communos Heeft verschillende betekenissen in de diverse vertalingen: LXX (kolucunti, "komkommer"), Vulgaat hedera, NV, NBG, SV, GNB96 wonderboom, King James AV gourd (foutief van פַּקֻּעֹתH6498 "kolokwint"), NetBible kleine plant. De laatste vertaling zich baserend op de verkleinende uitgang וֹן- -on


Inhoud

De wonderboom קִיקָיוֹן (Kikajon) is zeer waarschijnlijk de Ricinus communis en is lid van de Euphorbiaceae (Wolfsmelkfamilie).

 

Plinius beweert, dat de plant zijn naam heeft naar de schapeteek, die in het latijn ricinus heet. De zaden lijken op dat insect. Deze eenjarige plant kan in korte tijd tot 4 meter hoog worden, de stengel is stijfrecht en kaal. De bladen staan spiraalsgewijs; ze zijn langgesteeld, handvormig gedeeld. De bloeiwijze is eindstandig, onder de mannelijke bloemen op een hoop, de vrouwelijke kortgesteelde bloemen daarboven. De plant bloeit van augustus tot in oktober. De vrucht is een 3-voudige doosvrucht met 3 grote gemarmerde zaden.


Botanie

Taxonomische indeling
  • Rijk: Plantae (Planten)
    • Superdivisie: Spermatophyta
      • Divisie: Angiospermae
        • Klasse: Dicotyledoneae

a


De zaden bevatten een zeer vergiftige eiwitachtige stof ricine; het doet o.a. het bloed stollen, verlamt het vasomotorencentrum en het ademhalingscentrum. Toxische verschijnselen zijn nierontsteking, uraemie en storingen in de bloedsomloop. Het gif van 15-20 zaden is reeds dodelijk (5-6 reeds voor kinderen). Tegenwoordig worden de uitgeperste zaden vaak gebruikt als muizen- en rattenvergift.


Verspreidingsgebied
Komt oorspronkelijk uit Afrika en wordt in Europa als cultuurplant gekweekt. Komt tegenwoordig in geheel Israël voor.

Geschiedenis
De wonderboom was al bekend bij Herodotus (4de eeuw voor Chr.), hij noemde de plant kiki, en vermeld dat de olie van de plant door de Egyptenaren werd gebruikt. In Egyptische graftombes zijn inderdaad zaden van de wonderboom gevonden. Ook Strabo maakt melding dat de olie van de kiki in Egypte gebruikt werd in lampen en voor smeersels. In de Papyrus Ebers (± 1500 v.Chr.) wordt de plant onder de naam kiki genoemd en de zaden aanbevolen als purgeermiddel. Theophrastus en Dioscorides in de 1ste eeuw beschrijven de plant en de laatste geeft een verslag van het proces om de olie te winnen, en verteld erbij dat deze niet geschikt is voor inwendig gebruik maar uitsluitend uitwendig moet worden toegepast. Verder vermeldt hij dat de zaden extreem laxerend werken, dit wordt ook beschreven door Plinius de Oudere. Gedurende de Middeleeuwen wordt de olie in Europa als medicijn toegepast. Albertus Magnus zou de plant zelfs hebben gekweekt in het midden van de 13de eeuw. Later raakte de plant in onbruik, waarschijnlijk gebeurde er toch teveel ongelukken mee. In de 18de eeuw is het gebruik zo goed als uitgestorven in Europa. Verder heeft de plant ook een lange geschiedenis als vergiftigingsmiddel.

Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!