Sulamitische vrouw (Hooglied)
שׁוּלַמִּית H7759 "Sulammith, Sulamitische, Sunamietische",

Zie ook: Hooglied (boek),

De Sulamitische vrouw is een van de hoofdpersonen in het boek Hooglied, en de bruid van koning Salomo.

Inhoud

Betekenis Sulamith

De titel Sulamith (שׁוּלַמִּית, šûlammît) komt maar tweemaal voor in de Bijbel, beiden in Hoogl. 6:13. Diverse verklaringen zijn gegeven over de betekenis. De meest gangbare is dat het een alternatieve vorm van de naam "Sunamietische" (שׁוּנַמִית) is om te verwijzen naar de inwoners van Sunem (1 Kon. 1:15; 2 Kon. 4:12), een klein plaatsje in de Jezreel vallei. Sommige rabbijnse exegeten, zoals Ibn Ezra, menen dat de naam dan ook een afgeleide vrouwelijke vorm is voor een bewoonster van Jeruzalem, terwijl anderen de betekenis van "perfect, zonder vlek" (Midrash Rabba) geven, van de stam שָׁלֵם (Salem, "volledig te zijn, perfect").

De Vulgata, Aquila en Quinta willen het afleiden van de stam שָׁלֵם ("vrede") en stellen dat het "de vreedzame" is. Ook is geopperd dat שׁוּלַמִית Sulamith de vrouwelijke vorm is van de mannelijke naam שְׁלֹמֹה (šĕlōmō, "Salomo"), net zoals Judith de vrouwelijke vorm is van Juda. Het zou dan om een woordspeling gaan tussen Salomo en Sulamith. Verder is opgemerkt dat het om een cultische interpretatie in Hooglied gaat en שׁוּלַמִית dan de naam of bijnaam is van de Kanaänitische maangodin Ishtar of een samensmelting van de naam van de Assyrische oorlogsgodin "Shulmanith" (Ishtar) en de naam "de Sunamietische" voor een vrouw van Sunem (Albright).


Wie was de Sulamitische

Er is geen naam van haar bekend, op zijn hoogst is er een verwijzing dat zij uit het stadje Sunem (Sulem, Hoogl. 6:13; zie de discussie bij dit vers) uit de Jezreel vallei zou komen. Op basis hiervan denken sommigen dat ze dezelfde is als Abisag de laatste concubine van Salomo's vader David (1 Kon. 1:3) en die ook als zeer knap wordt beschreven. Aan de andere kant wordt ze een "prinselijke dochter" genoemd (Hoogl. 7:1) wat suggereert dat deze vrouw niet het Israëlitische plattelandsmeisje is, maar de dochter van de Farao, die Salomo trouwde (1 Kon. 11:1), maar het desbetreffende woord kan ook "nobel van karakter" betekenen. Verder was ze zwartachtig (donker) maar liefelijk (Hoogl. 1:5) van uiterlijk en had een gestalte als een palmboom (Hoogl. 7:7), wat een indicatie is dat ze langer was dan andere vrouwen.

De weg naar de bruiloft

In het eerste hoofdstuk zien we verschillende verwijzingen dat ze uit de woestijn komt (vs. 5-8, 14), het is dan ook niet opvallend dat bij de aankondiging van de bruiloft wordt gezegd "Wie is zij die daar komt uit de woestijn, als zandhozen, in een wolk van mirre en wierook met aromatische poeders van de verkoper" (3:6) omdat de woestijn stoffig is, zal zo’n stoet een hoop zand opwerpen zodat deze al van verre te zien is. Het is dan ook een hele mooie parallel dat ze wordt vergeleken met een “djinn” een wervelwind die regelmatig in de woestijn te zien is. Echter direct wordt verwezen dat het niet een normale wervelwind is, maar gevuld met mirre en wierook. Voor hen die dit geestelijk willen verklaren, is dit een verwijzing naar de grote hoeveelheden specerijen die men voor de tempeldienst gebruikte en de wervelwind zou dan misschien de Shekinah zijn. Voor hen die deze passage wat letterlijker opvatten is dit een beschrijving dat onze Sulamitische flink opgedoft is en heerlijk ruikt naar de verschillende parfumerieën die worden genoemd. Interessant is dat ook de marskramer of koopman wordt genoemd bij wie de “geurige kruiden” zijn gekocht. Ook tegenwoordig kun je in Israël en in grote delen van het Midden-Oosten bij deze kleine handelaren parfum en geurige kruiden kopen waarvan de geuren precies zijn afgestemd op je eigen smaak (of beter op de smaak van de handelaar, die altijd mierzoet is).

In de volgende verzen lezen we dat ze omringt is door zestig zwaar bewapende soldaten die tot de keurtroepen van Israël behoorden (3:7-8). De vraag die we ons moeten stellen is waarvoor waren deze soldaten nodig. Het beste zijn ze te vergelijken met de moderne bodyguards, want net als tegenwoordig er altijd bodyguards zijn bij belangrijke personen en vooral bij speciale gelegenheden, was dat ook vroeger het geval. Want het is van alle tijden dat er gekken rondlopen die een VIP willen vermoorden of ontvoeren. Was onze dame in het begin nog een eenvoudig meisje dat door haar broers gedwongen werd om de wijngaard te bewaken, nu ze de aanstaande vrouw is van koning Salomo is ze plotseling belangrijk geworden en krijgt ze de passende bescherming die bij haar positie hoort. Deze bodyguards waren getraind in oorlogsvoering, of om dichter bij het Hebreeuws te blijven “de kunst van het oorlog voeren”. Zij waren dus nu belast met het beschermen van de bruid. Dit had meerdere redenen, de eerste, zoals reeds genoemd, om haar te beschermen tegen mensen die haar wilden vermoorden of ontvoeren. Het eerste zal minder waarschijnlijk zijn dan het laatste, want als je een belangrijk persoon zoals haar had ontvoerd dan kon je daar een hoge losprijs voor vragen. Een andere reden om haar te beschermen is tegen potentiële rivalen, het gebeurde vroeger vaak genoeg dat een rivaal een bruid kidnapte en ervan door ging. Een derde argument is dat Salomo een (hoge) bruidsschat had betaald en dat hield in dat onze dame een bepaalde geldwaarde vertegenwoordigde. Nu zal hij deze bruidsschat zeker met liefde hebben gegeven, maar als ze ontvoerd zou worden hield dat wel een financiële schade in en om die reden hadden deze bodyguards de taak om als “schatbewaarders” haar te bewaken.

Vervolgens lezen we dat ze niet te voet uit de woestijn komt, maar wordt gedragen in een palanquin (vs. 9-10).

Uit de beschrijving blijkt duidelijk dat het hier om een zeer luxe stoel ging, die niet alleen van verschillende soorten kostbaar hout uit de Libanon ging (daar kwam het beste hout vandaan), maar ook bekleed was met bladgoud en zilver. Daarnaast (omdat je natuurlijk wel aangenaam moest zitten) waren er ook dure gordijnen (tegen de zon) en kussens. Het gebruik van dit soort draagstoelen duurde minstens tot de periode van Bar Kochba, want we lezen in de Mishna dat “In de laatste oorlog beslisten zij dat een bruid niet op een draagstoel de stad in mocht gaan. Maar onze rabbi’s stonden de bruid nadien toe in een draagstoel de stad in te gaan” (Sotah 9:14, vert. Neusner).

Hadden we verwacht dat nog een beschrijving van haar kleding zou worden gegeven, geheel volgende de Hebreeuwse verhaaltrant wordt de aandacht gevestigd op de bruidegom die gekroond wordt door zijn moeder Bathseba, wat niets te maken heeft met zijn titel als koning, maar veeleer te maken heeft met zijn toekomstige positie in het gezin. Want in Jesaja 61:10 lezen we wat deze rol betekent “Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil, de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan, zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk hoofdsieraad, en een bruid zich tooit met haar sieraden”. De bruidegom kronen met een diadeem had de betekenis dat de bruidegom als hoofd van het gezin, daarmee ook de taak op zich nam als priester. Hij had de plicht om zijn gezin ook geestelijk te leiden, hij had als taak om zijn vrouw en kinderen dicht bij God te houden. Hierbij is het opmerkelijk dat Salomo’s moeder hem via deze symbolische handeling erop wees, waaruit we mogen concluderen dat het niet alleen de taak van de vader is, maar ook van de moeder om de kinderen op te voeden en te wijzen op God.


Als getrouwde vrouw

Al in het eerste hoofdstuk zien we een aantal opmerkingen waaruit we kunnen opmerken dat ze (ondertrouwd?) in de harem van haar man is opgenomen. Zo komen we een aantal jonge meisjes (maagden) tegen (Hoogl. 1:3) die we later (Hoogl. 6:8) weer tegenkomen en waaruit blijkt dat ze behoren bij de harem van Salomo. Blijkbaar spelen (een gedeelte van) de taferelen zich af in de harem. Het wordt dan plotseling duidelijk wie de persoon is die over haar zegt "Mijn vriendin! Ik maak jou lijkend als een merrie voor de wagens van Farao" (Hoogl. 1:9), dit kan niet anders dan een andere bewoonster van de harem zijn en gezien de context ligt het voor de hand dat het gaat om de persoonlijke verzorgster van onze vrouwelijke hoofdfiguur.

Bijna iedereen vertaalt het Hebreeuwse woord in deze tekst met “ik vergelijk jou met” wat nietszeggend is want wat wordt bedoeld met “ik vergelijk u met de paarden voor de wagens van de farao“? Maar het Hebreeuws geeft ook de mogelijkheid tot een andere vertaling, nl. “ik maak jou gelijkend op“, wat logischer is met wat in de volgende verzen komt. En als het inderdaad de persoonlijke verzorgster is die dit zegt, zij die de taak heeft om de hoofdpersoon zo aantrekkelijk mogelijk eruit te laten zien, dan is dit een objectieve waardering (zonder sensuele of perverse toespelingen) van hoe ze de hoofdpersoon eruit zal laten zien. Teksten als Hoogl. 4:1-5, 4:7, 6:4-7 en andere waarin de lichamelijke schoonheid van de hoofdpersoon zeer gedetailleerd worden beschreven en waar dezelfde persoon aan het woord is, worden dan een stuk duidelijker en geven aan dat deze verzorgster tevreden is van haar werk om het meisje knap te maken.

Tot slot, tegenwoordig klinkt het niet complimenteus om iemand met een paard te vergelijken, maar in de oudheid kwam dit vaker voor. De Romeinse dichter Horatius vergeleek bijvoorbeeld een van zijn hoofdpersonen, het meisje Lyde, met een drie jaar oude merrie: “Ze springt over de wijde vlakten”, wij zouden zeggen ze is een “spring-in-het-veld”. Daarnaast waren de paarden toen de mooiste getemde dieren die er bestonden, en die voor de wagens van de farao stonden waren raspaarden. Net zoals de vele andere teksten in Hooglied die de schoonheid van de hoofdpersoon vergelijkt met allerlei dieren (de ogen van een duif, etc.), moeten we ook in die context deze vergelijking zien: ze zal er uit zien als de mooiste merrie die er maar bestaat.

Ontsnapping uit de harem...

In het begin van Hooglied 5 lezen we dat ze zichzelf heeft opgesloten zodat haar man niet naar binnen kon en daar spijt van kreeg en op zoek gaat naar hem (vs. 6). Meteen komt dan de vraag naar boven hoe ze uit het haremgedeelte kon weglopen en waarom deze harem niet werd bewaakt, temeer daar we in Hooglied 3:7-8 lezen dat er bodyguards waren om haar te bewaken, waar zijn deze nu? Waarom waren ze wel aanwezig bij de bruiloftsceremonie, maar nu ze getrouwd is zijn ze plotseling afwezig. Bovendien een harem (van het Arabisch ḥarīm, حريم, afzonderen of verbieden) is toch een afgesloten en bewaakte woonruimte welke als vrouwenverblijf in de huizen en paleizen van oosterse potentaten diende en waar niemand in of uit kon zonder permissie? We hoeven maar naar de geschiedenis van koningin Esther en Mordechai te kijken, waar we lezen dat deze laatste niet zomaar op bezoek kon bij Esther (Esther 2:11).

De enige conclusie die we kunnen trekken is dat of de harems in het oude Israël werden nog niet zo strak bewaakt en konden de vrouwen vrijelijk in en uitlopen, of onze dame wist langs deze bewakers heen te glippen de stad in. Maar ook dan zijn er verschillende vragen, want als deze Sulammitische de favoriet was van Salomo dan had ze stellig bedienden en waarom stuurde ze die er niet op uit in plaats van zelf te gaan (cf. Esther 4:4), weliswaar lezen we in vers 8 dat ze de “dochters van Jeruzalem”, die misschien de medeleden van de harem waren, opriep om haar man te zoeken, maar in eerste instantie ging ze zelf en dan nog wel in haar pyjama. Dat was een belachelijke situatie en kan alleen betekenen dat ze radeloos was (zoals we uit de context kunnen opmaken), maar ook nog eens zeer roekeloos. Want de wachters wisten wel raad met zo iemand en toen ze haar ontdekten werd ze meteen hardhandig opgepakt en rukten zelfs de pyjama van haar af, zodat ze poedelnaakt voor hen stond.

Waarschijnlijk hadden deze al gauw hun vergissing in de gaten en brachten haar terug naar het paleis. Hoe het met de wachters afliep is niet bekend, maar gezien de oosterse omstandigheden zullen ze meer dan een reprimande hebben gehad. Onze Sulammitische heeft waarschijnlijk ook haar lesje geleerd en schakelt nu de “meisjes van Jeruzalem” in om verder te zoeken en was waarschijnlijk heel blij dat haar hachelijke avontuur toch nog goed is afgelopen en begint met grote overdrijving de schoonheid van Salomo te beschrijven om daarmee de aandacht op haar avontuur af te leiden.


De donkere kant van de Sulamitische vrouw

Uit de beschrijvingen die van haar worden gegeven in het boek blijkt dat zij niet is als de andere vrouwen en op verschillende punten afwijkt van de standaard verwachting. Al in het eerste hoofdstuk wordt gesteld dat ze zwartachtig (donker) maar liefelijk (Hoogl. 1:5) is, en als reden wordt het negatieve argument gegeven dat dit komt omdat ze buiten moest werken (vs. 6). Blijkbaar verwacht ze dat de vrouwen uit Jeruzalem haar om die reden niet mooi zullen vinden. Toch blijkt deze zwartheid een connectie te hebben met haar schoonheid, daar de vergelijking wordt getrokken met de gordijnen van Salomo (waarmee zeer waarschijnlijk de gordijnen in de tempel worden bedoeld). Aan de andere kant wordt deze zwartheid vergeleken met die van de tenten van Kedar (welke een afstammeling is van Ismaël), haar schoonheid is als de schoonheid van de tenten van Ismaël, en geeft iets exotisch. Kedar's "tenten" roepen iets op wat wild en ongetemd is, een schoonheid die exotisch en vreemd is, een schoonheid die niet slaat op de weelderige volheid van de tuin, maar op de harde helderheid van de woestijn, een schoonheid die woest en totaal anders is dan de schoonheid waarmee vrouwen toen werden vergeleken. Het is een schoonheid die niet in verband gebracht wordt met het stabiele en gevestigde leven van de stad, de dochters van Jeruzalem, maar met het voorbijgaande nomadische leven van de Arabische bedoeïenen. Haar schoonheid wordt vergeleken met twee uitersten, de hoog gecultiveerde gordijnen die de civiele wereld representeren en de tenten van Kedar die het wilde buitenleven weergeven. Deze twee polen hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Beide zijn immers verboden, ontoegankelijk, gevaarlijk. De wildernis is gevaarlijk en verboden voor de hand liggende redenen, maar de tempel is eveneens verboden. Niemand kan daar naartoe gaan om het gordijn van Salomo te bekijken, omdat het in het huis des HEEREN is.

Het is dan ook niet voor niets dat P. Leithart de Sulamitische vergelijkt met de wilde en ongetemde godin (cf. woordstudie שׁוּלַמִּית H07759 Nr. 7 en 8), zoals die voorkomt in de verschillende oude Midden-Oosten culturen, zoals de Sumerische Inanna (Ishtar). Zij vertegenwoordigt de vrouw die niet bezig is met maatschappelijke verantwoordelijkheid (cf. Spr. 31). Ze is gevaarlijk, angstaanjagend en bedreigend als gevolg van haar vrijheid, en toch, tegelijkertijd, verleidelijk en aantrekkelijk. In haar gebrek aan verantwoordelijkheden is Inanna vrij om de ultieme femme fatale te zijn. En heel toepasbaar wordt deze godin dan ook vaak afgebeeld als een zwarte godin. Met deze oude Midden-Oosten achtergrond wordt de beschrijving van de Sulamitische veel scherper neergezet. De Bruid van Hooglied is niet het "lieve" meisje en als we Hooglied doorlezen komen we verschillende aanwijzingen tegen dat de bruid niet binnen de grenzen van de eenvoudige sociale conventie blijft. Haar escapades in de straten in twee scènes (Hoogl. 3:1ev; 5:6ev.) verbinden haar eerder met de dwaze vrouw uit het boek Spreuken (Spr. 5) dan met de deugdzame vrouw die in huis blijft. Zij is de ongetemde vrouw en ze is zwart.

Salomo's bruid in het Hooglied, zijn geliefde, heeft de mix van de ongetemde en de exotische schoonheid van de zwarte godin. In deze is Salomo zoals Mozes, die een "Kushitische" bruid had (Num. 12). Naast deze kunnen we de allegorische strekking maken van het gedicht: de HEERE heeft niet voor zich gekozen een bruid uit de gecultiveerde, hoog opgeleide dames van de stad. Hij koos een zwarte, maar mooie bruid, een onvoorspelbare bruid, om haar koningin te maken aan Zijn rechterhand, de Bruid van de Zoon. Hij koos voor de feeks, de femme fatale.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!