Profetie (OT)
מַשָּׂא H4853 "last, (oordeels)profetie",

Zie ook: Profetie,

Heel Gods heilsgeschiedenis in Oude en Nieuwe Testament kan getypeerd worden als "het profetische woord", 2 Petr 1:19
Inhoud

Het OT kent profeten die van Godswege hebben gesproken, maar waarvan ons geen geschrift is nagelaten. We noemen hen woordprofeten. Tot hen behoren bijvoorbeeld Elia en Elisa.
Het OT kent echter ook profeten waarvan wij een schriftelijke vastlegging hebben. We noemen hen daarom schriftprofeten. Tot hen behoren mannen als Ezechiel, Jeremia, Jesaja en de 12 zogeheten "kleine profeten" (Hosea t/m Maleachi).
Ook Abraham (Gen 20:7), Mozes (Deut 18:15, 34:10), Aaron (Ex 7:1), Samuel (1 Sam 3:20), David (Hand 2:30) worden in de Bijbel "profeet"genoemd omdat God door hen gedeelten van Zijn plaan heeft bekendgemaakt.

OT profetie is de boodschap van God (bv. Jes 6:8,9; Jer 1:4; 20:7-9) bekendgemaakt door een profeet (soms een profetes, Hulda 2 Kon 22:14), op een bepaald moment van Israels geschiedenis.
Die boodschap is vooral een gesproken boodschap, maar wordt soms geïllustreerd door een handeling. Als voorbeeld Jes 20:1-6 (naakt is niet geheel bloot, maar zonder opperkleed. Wij zouden zeggen: hij liep in zijn ondergoed), Ezech 5:1vv, Hosea's huwelijk met een "ontuchtige vrouw Hos 1:2vv.

Het OT kent verschillende woorden om een profeet (ook wel ziener) mee aan te geven. Het meest gebruikt wordt het woord nabi' (mv. nebi'im het woord dat in de Tenach gebruikt wordt om de profetische geschriften mee aan te geven).
Een nabi' is een woordvoerder van God (vgl. Deut. 18:18), de "mond Gods" (vgl. Ex 4:16 waar Aaron de "mond" van Mozes is).
Ons woord "profeet" is de weergave van het Griekse prophetes.

Het spreken namens God dat de profeet doet is een aktueel spreken, dwz. hij spreekt altijd in een bepaalde concrete situatie van Israels geschiedenis. Dat spreken is vermanend of vertroostend, al naar gelang de situatie. In dat spreken komen het godsdienstige, sociale en maatschappelijk leven aan de orde. Wanneer het volk Israel door allerlei invloeden en oorzaken onder de bekoring kwam van het veelgodendom (zoals in de omringende landen het geval was) en verviel tot een louter formele dienst aan God (afval, ongehoorzaamheid), dan waren het de profeten die het volk van Godswege opriepen tot inkeer en omkeer.
Bekering was dan niet: komen tot iets geheel nieuws, maar terugkeer tot God, tot datgene wat God al eerder in de Thora had gezegd. Vgl. Jes 8:20. Ander gezegd: terug tot gehoorzaamheid aan God, zoals in de Thora staat opgetekend.
De eerst aangesprokenen begrepen dan ook meestal onmiddelijk op welke situatie het profetisch spreken dat tot hen kwam betrekking had. Profeten spraken in een actuele situatie.

In dat profetisch spreken blijken echter elementen en gedachten voor te komen die over de grens van de direct historische situatie van dat ogenblik heenreiken. Anders gezegd: de profetie gaat zo nu en dan het actuele gebeuren te boven waardoor het Woord van God een wijdere strekking en een diepere vervulling krijgt. Zul spreken kan plaatsvinden omdat God die de profeten doet spreken niet gebonden is aan de grenzen van de tijd.

Samengevat: De profeet doorlicht van Godswege het heden (van zijn tijd), door terug te grijpen op Gods eerder spreken in het verleden (mn. de Thora), waarbij hij de grens van zijn eigen tijd kan overschrijden naar een verder gelegen, soms zeer ver gelegen, toekomst. Maar dat laatste is lang niet altijd het geval.

Wanneer nu de profetie op een verder liggende gebeurtenis betrekking heeft, kan, afhankelijk van de tijd waarin de profeet optreedt aan de volgende situaties gedacht worden:
  1. de terugkeer uit de ballingschap
  2. het leven, lijden en sterven van de Heer Jezus Christus
  3. het ontstaan, wezen en uitbreiding van de christelijke gemeente, bestaande uit gelovigen met zowel een joodse als heidense achtergrond (vgl. Ef 2:11-22)
  4. de voleinding, dat is, de terugkeer van Jezus met de daarmee verbonden elementen van heil (volle verlossing) en onheil (oordeel).

De reikwijdte van sommige profetieen hebben er toe geleid, dat de profeten vaak in het onzekere verkeerden over de uiteindelijke strekking van hun boodschap. Zij zagen wel in de verte, maar hun horizon bleef onscherp en beperkt. Zie 1 Petr 1:10-12, vgl. ook Hebr 11:13-16,39 en 40.

De profetische taal is geen feitelijke, exacte informatie. Ze is poetisch van aard, beeld-taal, een schildering met woorden. Voor ons gevoel vaak omslachtig en overdadig.
Profetische taal is dus allesbehalve abstract. Wij spreken bv. over liefde (een abstract begrip), de profeet over liefhebben (actief begrip). Wij over waarheid, de profeet over de waarheid doen! etc.
Die voor ons ongewone beeldtaal, uit-beelden-de taal zullen we moeten leren. Wij die opgegroeid zijn met de Griekse manier van denken waarbij analyses, conclusies en categorisering hoog aangeschreven staan.

De taal en de beelden die de profeet gebruikt, zijn ontleend aan de cultuur en natuur van het Midden-Oosten! Van die tijd! De geschiedenis is die van Israel, zoals het zich bevindt temidden van de volken! In die tijd!
Omdat het zo belangrijk is zeg ik het nog eens met andere woorden. De kleur van de profetieen is ontleend aan de denk- en belevingswereld van die tijd, van het land Israel, van de stad Jeruzalem, terwijl de grootmachten van toen (Egypte, Assyrie, Babelonie, etc.) een belangrijke rol spelen.
Let er eens op hoe bv. de wegvoering in en de terugkeer uit de ballingschap getekend wordt met beelden en woorden ontleend aan de slavernij in en de verlossing uit Egypte vgl. Hos 8:11-13, 9:3; 11:5,11; 12:13,14). En wie Jesaja 40-66 doorleest zal allerlei zaken tegenkomen wat doet denken aan Egypte, aan de woestijnreis etc. Dat "exodus-motief"keert zelfs weer terug in het laatste Bijbelboek, zie Openb. 15:1-4, hfdst. 16 ev. de plagen. Kortom, de profeten schtesen wat komt dikwijls als een "repetitie" van wat al was, als een herhaling van de Exodus, maar dan in grotere omvang en belangrijkheid. Opnieuw zal de Here een weg banen door het water (Jes 11:15) een wol/vuurkolom scheppen (Jes 4:5), een verbond sluiten (Jer 31:31) het dal van Achor (Joz 7:24-26) maken tot een deur der hoop (Hos 2:14), Jeruzalem verkiezen (Zach 1:17).

De profeten zien allerlei in hun tijd en omgeving gebeuren en bespeuren daarin het handelen van God. Maar als hun woorden een toekomst-element in zich dragen kunnen zij de gebeurtenissen niet dateren. De profeten kunnen Gods komen niet in alle stadia onderscheiden. Hden, nabije toekomst, verre toekomst is voor hen een grote werkelijkheid.
We noemen dat het zogeheten "profetisch perspectief" dat vergeleken wordt met een berglandschap waarin je wel van een afstand de bergtoppen ziet, maar niet bepaald kan worden hoe lang de (tijd)ruimtes zijn tussen de verschillende toppen. Ter illustratie: In Jes 13:1-11 wordt het oordeel over het toenmalige Babel beschreven als deeluitmakend van het wereldeindgericht! Let maar eens op de verwijsteksten naar o.a. het NT.
De komst van Jezus Christus in Bethlehem wordt zonder enig probleem (niet voor de profeten, wel voor ons!) verbonden met de realisering van het Messiaanse Rijk op de nieuwe aarde. Vgl. Jes 11:1-10 met Jes 65:17-25. Zie wat de Here Jezus doet als Hij in Luk. 4:19 (aanhaling van Jes 61:2) midden in een zin stopt!.

Samengevat: De profeet schildert het heden en de toekomst met kleuren en in trekken ontleend aan de wereld zoals hij die kent, dat is zijn eigen tijd en omgeving. Zoals de TIJD van de toekomst in het profetisch spreken vaak samengetrokken wordt in een gebeuren (de komst van Christus in Bethlehem en Zijn terugkeer in heerlijkheid worden dikwijls in een adem genoemd) zo is ook de RUIMTE waarin een en ander zich afspeelt voor de profeet een totaliteit. De profeten schilderen de toekomst vanaf het palet van hun eigen ervaring en projecteren haar binnen hun eigen geografische horizon. Anders gezegd: Zoals de profeten de toekomst concentreren in een tijdsgebeuren, zo concentrteert de profeet die toekomst ook in een punt van de ruimte, te weten het Midden-Oosten, meer specifiek: Jeruzalem en omgeving. De profeten spreken tot mensen van hun eigen tijd. Die boodschap heeft vaak ook betrekking op de toekomstm maar dan wel altijd een toekomst die aansluit bij de situatie waarin het volkl van God zich toen en toen bevond. De lijnen lopen dikwijls door naar het NT. Er zit vaak nog "meer" in de Bijbelse profetie. Maar als we dat "meer" bezien, mogen we niet vergeten dat de profeten over een toekomst spreken die geschilderd is moet OT kleuren. De verlossing in Christus wordt verkondigd in aansluiting aan de verlossing uit Egypte of de terugkeer uit de ballingschap (twee belangrijke momenten in Israels geschiedenis!). De lijnen vloeien dikwijls in elkaar over. Er wordt niet precies onderscheiden tussen de 1ste en 2de komst. Voor de profeten is er maar een gebeuren. Het gericht is een gericht, het heil is een heil. Al blijkt (achteraf) in de vervulling dat en gericht en heil verschillende stadia doorlopen. Elk gericht over Israel of z'n vijanden is een voorafschaduwing van het eindgericht. Elke verlossing uit benauwdheid is een voorafschaduwing van de grote eindverlossing. En dat eindgericht en die uiteindeljke verlosing hebben voluit te maken met Jezus de Christus, Zijn kruis (gericht), Zijn opstanding (heil). Wat wij het eindgericht noemen en het uiteindelijke heil zal de volledige uitwerking zijn van wat in het kruis en opstanding reeds heeft plaatsgevonden.

Door dit verbindende spreken brengt de profetie op geheel eigen wijze de eenheid tot uitdrukking van Gods ondeelbare en voortgaande handelen. Maar (we zagen het reeds) tegelijk toont ze daarmee ook haar beperktheid. Ze heeft geen inzicht in de verschillende fasen van de toekomst. Ze is niet in staat om de verschillende tijdvakken en tijdstippen van de vervulling duidelijk aan te geven.
Wat de profetie wel doet is: verkondigen, duidelijk maken dat Gods reddend en richtend bezig is Zijn koninklijke heerschappij door te zetten tot het voltooid is. In dat werk van God naar de uiteindeljke triomf zien de profeten de ene toekomst onstuitbaar op zich afkomen. Als de Bijbel in dit verband spreekt over "nabij" en "weldra" (vgl. Rom 13:11, Jak 5:8, 1 Petr 4:7, Opb 1:1, 22:6) dan zeggen die woorden niet wanneer de grote toekomst aanbreekt, maar wijzen deze woorden er op dat die toekomst onweerstaanbaar onderweg is, dwz. een reeds actuele zaak die, vanwege haar dreigende en vertroostende karakter tot waakzaamheid en volharding oproept (vgl. Hab 2:3). Het "nabij" bezit om die reden doorlopend geldigheid, ook al blijkt de Heer langer uit te blijven dan de beperkte profetische toekomstblik kon voorzien.

Het zal duidelijk zijn dat profetie geen journalistiek verslag vooraf biedt. De beelden zijn geen filmfragmenten vooraf. Profetie is ook geen star, vaststaand programma dat in details kan worden gevolgd. De geschiedenis is niet gedetermineerd. Er is sprake van onderbrekingen, ombuigingen (denk aan Rom 9:11 - het heil gaat van Israel naar de volken en weer terug-), insnijdingen, beperkingen. Er is sprake van uitstel (2 Petr 3:9). De Here God kan Zijn plannen wijzigen (zie Jer 18:7-10 en Jona 3:1-10, vooral vs 9 en 10). God heeft Zijn eigen "tijden en gelgenheden". De uitvoering van Zijn wil (plan) vindt plaats in samenhang met het menselijk doen en laten.
We mogen hier echter ook niet de conclusie uit trekken dat de toekomstverwachting tijdloos is. Er is uitdrukkelijk sprake van een "eerst", een "later" of "daarna", etc. Maar er is geen tijdsperspectief gegeven dat Gods werk compleet in kaart brengt!
Over de menselijke verantwoordelijkheid nog dit. In oud-gereformeerde kringen wordt beleden de "concursus Dei", dat is de begeleiding Gods. Daarmee wordt bedoeld: God gaat aan de daden van ons mensen vooraf, begeleidt ze, volgt ze, zonder echter de menselijke vrijheid aan te tasten. De mens blijft zo volledig verantwoordelijk. Nochthans volvoert God Zijn wil en plan.

Moeten de OT profetieen letterlijk of figuurlijk (geestelijk) verstaan woorden?
Het antwoord op die vraag is eigenlijk eenvoudig: dat moet blijken uit het verband met in achtneming van wat hierboven is uiteengezet. De moeilijkheid die zich op dit punt voordoet is dat ons lezen van de profetieen (het geldt trouwens voor ons lezen van de gehele Bijbel) wordt bemoeilijkt door allerlei vooronderstellingen die we hebben meegekregen of die we ons eigen hebben gemaakt. Allemaal vragen die van belang zijn (soms zelfs zeer bepalend) bij het lezen van de profetische geschriften van het OT.
Keren we terug tot de vraag: letterlijk of geestelijk. Wanner letterlijk betekent: feitelijk exact historisch en er geen rekening wordt gehouden met de beeldende taal en de "kleur" van het OT (zie punten 12 en 13) dan worden veel profetieen onbegrijpelijk en vreemd.
Een voorbeeld: Jes 2:2-5. Letterlijk? Wordt de berg Sion eenmaal hoger dan de hoogste berg op aarde (=hoger dan de Mount Everest, ruim 8800 meter)? Nog meer voorbeelden: Jes 25:6, Jes 40:3, gaat het in Ezech 40-48 om een toekomstige tempel? Maar wat betekent dan Hand. 7:48, 17:24 Opb 21:22?
Ook het omgekeerde geldt. Alles vergeestelijken? Zijn Egypte, Assur, Babel, Edom, Filistijnen aanduidingen voor geestelijk machten, vijanden van de gemeente Christus? En zijn Sion, Jeruzalem, etc. alleen maar symbolen voor de kerk van het nieuwe verbond? Nee, zo moet het ook niet. Als Jesaja spreekt over een nieuwe hemel en aarde (65:17) dan gaat het metterdaad om een nieuwe hemel en aarde (in de betekenis van "vernieuwd").
Ik herhaal: in de eerste instantie maakt de context (de omgeving van de tekst) duidelijk of het gaat om woorden met een letterlijke of figuurlijke betekenis. Van groot belang daarbij is te letten op het gebruik van de profetieen door Jezus en de apostelen in het NT. Op een voor ons lang niet altijd duidelijke manier worden door de NT-schrijver verbindingen gelegd.

Dikwijls hebben profetieen betrekking op een gebeuren. Voorbeelden: Jes 38:4-8, Micha 5:1, Jes 53:3, 7, Ps 22:19. Met name de laatste 3 zijn concreet in vervulling gegaan in het leven en lijden van onze Heer. Maar er zijn ook profetieen waarin verschillende stadia van vervulling aanwijsbaar zijn. Voorbeeld: 1 Kon 14 daarin verwijst vs. 12 naar vs 17 en 18, hebben vs 7-11 betrekking op een gebeuren jaren later, 15L 29, 30 en handelen vs. 15 en 16 over iets dat pas eeuwen later zou plaatsvinden, zie 2 Kon 17:5-23.
Nog een voorbeeld van een gecompliceerd profetisch gebeuren waarbij meerdere profeten betrokken zijn. Lees Ezra 1:11 in combinatie met Jer. 29:10-14, Jes 44:26-28 en Dan 9:1vv. Eerder heb ik duideljk gemaakt dat lang niet alle profetieen betrekking hebben op de toekomst of zelfs de verre toekomst. Vuistregel is dat uit de inhoud van de profetie moet blijken of zij op het heden dan wel op een verder gelegen tijdstip wijst. Een voorbeeld: 2 Sam 23:1-7, in zijn laatste woorden spreekt David over een toekomstig, rechtvaardig heerser. Je zou kunnen denken aan zijn eigen ziin Salomo, maar ten diepste gaat het over de komst van de Messias (vs. 3). Een soortgelijke gedachte zit er in het bekende adventgedeelte Jes 7, de jonge vrouw (vs. 14) die zwanger zalworden betreft een toenmalig levende aanstaande moeder. Dus iemand die leefde in de dagen van Jesaja, ca 750 v.C. Maar gelet op Mat 1 is er de diepste vervulling in de geboorte van de Here Jezus Christus.

Vervulling van het profetische woord kan dus eenmalig zijn, maar evenzeer een langere tijd in beslag nemen (procesmatig verlopen), waarin verschillende, maar slecht "gedeeltelijke" vervullingen zijn aan te wijzen. Vervulling betekent: gaandeweg voller worden. Een laatste illustratie: Mat 24, met name de eerste 14 verzen, heeft allerlei voorzeggingen van Jezus die bewaarheid zijn geworden rond het jaar 70 n.C. toen Jeruzalem en de tempel door de Romeinen werd verwoest. Maar andere woorden uit datzelfde hoofdstuk hebben betrekking op een verdere vervulling, de paroussia van de Here Jezus, beschreven in apocalyptische taal en "gekleurd" door Israels geschiedenis (tijd) en land (plaats).

Hopenlijk maakt dit schrijven ons allen duidelijk dat omgaan met het profetische woord grote zorgvuldigheid vereist en bovendien kennis van Israels geschiedenis rond de ballingschap, de tijd daarna, de periode van ruim 4 eeuwen dier er ligt tussen het OT en NT, maar ook de kennis van Gods heilsplan met Israel en de volken.

J.P. van de Giessen (1989)


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!