January 2006

You are currently browsing the monthly archive for January 2006.

Asher

Asher אָשֵׁר (“gelukkig”) was de stamvader van een der 12 stammen van Israel en de achtste zoon van Jakob en tweede zoon van Jakob’s bijvrouw Zilpah (Genesis 30: 1-6), de slavin van Lea.

Asher werd geboren in Paddam-Aram in Mesopotamië (Genesis 35: 26) en zijn naam betekent hij die gelukkig maakt (Genesis 30: 12-13). Hij werd zo genoemd omdat Lea zei Tot mijn geluk! (vs. 13), dit naar aanleiding dat ze geen kinderen meer baarde en via haar slavin Zilpah twee zonen kreeg Gad en Asher (draagmoederschap). De naam is teruggevonden in een Egyptische papyrus (~1750 v.C.) als de naam van een slavin, tevens is hiermee bevestigd dat het om een noordwest semitsche persoonsnaam gaat, wat overeenkomt met de geboorteplaats van Asher.
Verder is bekend dat hij vier zonen had Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en een dochter Sera (Genesis 46:17; 1 Kronieken 7: 30) toen hij naar Egypte ging.

De enige Asheriet van enige betekenis was de profetes Anna, een dochter van Fanuel, welke tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. (Lukas 2: 36-37)

Van de stam op zich weten we dat ze zo waren uitgebreid, dat ze ten tijde van de Exodus meer dan 41500 strijdbare mannen hadden en dat ten tijde van de invasie van Kanaän ze waren gegroeid tot 53400 (Numeri 1: 41). Was de zegen van Jakob zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren (Genesis 49: 20), Mozes’ zegen was Asher zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie (Deuteronomium 33: 24). Uit de geschiedenis blijkt inderdaad dat de vijf belangrijkste geslachten van Asher (Numeri 26: 44-47) de zegeningen, straffen en verantwoordelijkheden van de omzwervingen in wildernis deelden (Numeri 1: 13; 2: 27; 7: 72; 13: 13). In de loop van deze Israelitsche omzwervingen door de woestijn, namen ze hun positie in naast de stammen van Dan en Naphtali. Hun legeringspositie was noordelijk van de Tabernakel (Numeri 2: 27), terwijl tijdens de tochten zelf ze met genoemde stammen de achterhoede vormden (Numeri 10: 25) onder leiding van Pagiel, de zoon van Ochran.

In de verdeling van het land, kreeg Asher van Jozua een smalle strook aan de kust toegewezen noordelijk van de Karmel tot het noorden van Sidon (Jozua 19: 24-31, 34). Dit deel was rijk aan bronnen en vruchtbare gronden, waar de beste olijvenplantages waren (Deuteronomium 33: 24). De verantwoordelijk om dit land in te nemen was de overste Achihud, zoon van Selomi (Numeri 34: 27).
Dat hij en zijn opvolgers hier niet in slaagden blijkt uit het feit dat ze de kuststeden niet konden veroveren op de Phoeniciërs Asher verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; Maar de Asherieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet (Richteren 1: 31-32) Ook deden ze niet mee aan de oorlog tegen Sisera, de krijgsoverste van Jabin welke de oostelijke grenzen van Asher beheerste (4: 2), wel kwamen ze later Gideon te hulp tegen de Midianieten (6: 35; 7: 23).

Bij de kroning van David stuurden zij 40000 manschappen (1 Kronieken 12: 36), maar worden later niet meer genoemd in zijn lijsten. Salomo gaf in ruil van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat als toen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea (1 Koningen 9: 11-14), dit waren steden van Asher en werden door Hiram hiernoemd in het land Kabul (vs. 13) zoals het ook tegenwoordig nog heet.

De laatste keer dat de stam wordt genoemd is in Openbaring 7: 6 waar zij met 12.000 dienaren behoren tot de 144.000 verzegelden.

Simeon (Gen 29:32)

Enige tijd geleden schreven we over de machtsstrijd tussen Lea en Rachel en de verschillende zonen die geboren werden. Eén van de zonen van Lea was Simeon שִׁמְעוֹןGod hoort” (zie de omschrijving in Genesis 29:32).

Simeon is de tweede zoon van Jakob bij Lea (Gen 29:33), vader van een van de 12 stammen van Israel. Hij en zijn broer Levi, wreekten zich op de bewoners van Sichem nadat een prins van deze hun zuster Dina had verkracht (Gen 34: 1-31). Hierdoor kwam de familie van Jakob in een slecht daglicht te staan bij de omringende buren (Gen 34: 30). Uit Jakob’s testament (Gen 49:5-7) blijkt dat na al die jaren hij nog steeds Simeon en Levi als gewelddadige en onrechtvaardige mannen ziet. En in plaats van een zegen vervloekt hij hen, door te zeggen, dat hun nakomelingen over het gehele land verspreid zullen worden. Dit gebeurd dan ook later, zoals we zullen zien.

Simeon was ook de (half)broer die Jozef in gijzeling hield tot Benjamin bij hem gebracht zou worden in Egypte. (Gen 42: 24). Waarschijnlijk werd hij vastgehouden ipv. zijn oudere broer Ruben, om te voorkomen dat er een machtstrijd zou ontbranden om het leiderschap. Verder wasSimeon getrouwd met minstens twee vrouwen, waarvan een een Kanaanitische was (Gen. 46:10), hij had 6 zonen toen hij verhuisde naar Egypte.

Uit deze zonen is de stam Simeon ontstaan, tijdens de 40-jarige tocht door de woestijn, decimeerde het aantal met 50% (Num. 1: 22 aantal mannen 59.300, Num. 26:14 nog maar 22.200 mannen). Zie in dit verband ook Numeri 25: 14 waar Zimri een hoofd van de stam Simeon werd gedood door Pineas te Baal-Peor, omdat hij met een heidense Midianiet ging en daardoor afgoden ging vereren. Zij zijn de kleinste van alle stammen.

De stam kreeg in eerste instantie een gebied in het noordelijke deel van de Negeb (de tegenwoordige Gaza-strook), wat al eerder aan Juda was toegewezen (Jozua 19: 1-9). Het is niet duidelijk of ze ooit dit gebied ooit hebben bewoond, daar een paar honderd jaar later David de stad Ziklag kreeg van de filistijnse koning Achish (1 Sam 27: 6). Toch was de stam van belang voor deze zuidelijke gebieden, want er waren meer dan 7100 die zich aansloten bij David, dit is meer dan de stam Juda (6800; 1Kr. 12: 24-25).

Doordat de stam Simeon binnen de gebieden van de stam Juda woonde, gingen deze steeds meer op tot een stam. (Ri. 1:3; 17-19) Hun afwezigheid in de boeken van Samuel en Koningen is dan ook opvallend. In 1 Kronieken 4: 39-43 lezen we dat ze migreerden naar Edom en het land van Amalek. In 2 Kr. 15:9 en 34: 6 lijkt het erop dat ze worden vereenzelvigd met de gebieden van Efraim en Mannasse welke tot de noordelijke gebieden behoorden. Dit blijkt ook uit het feit dat ze niet tot het 2-stammenrijk ( Juda en Benjamin) behoorden, en dus tot het noordelijke 10-stammenrijk behoorden. Dus de zegen/vloek van Jakob is uitgekomen.

De laatste keer dat de stam wordt genoemd is in Openbaring 7: 7 waar zij met 12.000 dienaren behoren tot de 144.000 verzegelden. Een aanduiding dus dat het echt om Israel gaat en dat de kerk niet hun plaats heeft ingenomen.

Tags:

De komende maanden zal ik de verschillende aspecten behandelen die met de Paastijd te maken hebben. Enkele dagen geleden heb ik al aangegeven wat de implicaties waren van de instelling van het joodse Pascha in mijn behandeling van de Egyptische kalender.

Als eerste wil ik een korte technische verhandeling geven hoe men de datum kan bepalen. Deze datum wordt bepaalt met de volgende algemene regel, welke tot stand kwam op het concilie van Nicea (325 n.C.): Pasen moest vallen op de eerste zondag na de 14de Nisan, in de maand waarin de 14de Nisan samenvalt met de lente-evening (21 maart), of die onmiddellijk daarop volgt; als de 14de Nisan een zondag was, moest het feest nar de volgende zondag worden verschoven. Anders gezegd, het Paasfeest wordt gevierd op de eerste Zondag na de veertiende dag van de eerste nieuwe Maan na 21 Maart (=lente-evening).

Een formulering die de beroemde wiskundige Gauss, in het begin van de 19de eeuw ontwikkelde, en die later door Butcher in 1876 is geperfectioneerd en hierdoor bruikbaar is voor alle jaren in de Gregoriaanse kalender, die begon in 1583, wordt hieronder gegeven. De methode is gebaseerd op een aantal delingen van het jaar. Hierbij wordt het resterende steeds weer vermenigvuldigd door de Deler. Vb. 2000 / 19 = 105,2631579. Het resterende 0,2631579 wordt vermenigvuldigd door 19 en geeft 5,0000001. Het restant is dus 5. Uiteindelijk krijgt men zo de datum, hieronder is de formule uitgewerkt in Javascript:

function pasen(form) { var Mdate = "tekst" ;      Fyear = form.Myear.value; a = Fyear%19; c = Fyear%100; b = (Fyear-c)/100; f = ((b+8)-(b+8)%25)/25 g = ( ( b - f + 1 ) - (( b - f + 1 ) % 3) ) / 3; h = ( 19 * a + b - (b-(b%4))/4 - g + 15 ) % 30; l = ( 32 + 2 * (b%4) + 2 * ((c-(c%4))/4) - h - (c%4) )% 7; mm = ( a + 11 * h + 22 * l ) % 451; m = ( a + 11 * h + 22 * l - mm ) / 451; p = ( h + l - 7 * m + 114 ) % 31; n = ( h + l - 7 * m + 114 - p) / 31; p = p + 1; Mdate = p + " April"; if ( n == 3 ) Mdate = p + " Maart";     form.MDate.value = Mdate;}

Als men deze functie samen met de volgende code in een html-document zet kan men de datum berekenen:

<FORM> Invoer Jaar: <INPUT TYPE="text" NAME="Myear" Value="2000" SIZE=4> is <INPUT TYPE="text" NAME="MDate" Value="23 April" SIZE=10> <INPUT TYPE="button" Value="Bereken" onClick="pasen(this.form)"></FORM>

Helaas kan ik het niet op mijn blog tonen daar de provider geen Javascript code toestaat. Een uitgebreider werkend voorbeeld is te vinden op de website van R.H. van Gent.

De naam Nergal komt ook voor in Jeremia 39:3 en 13, zij het als afgeleide in een van de namen van Nebuchadnezzar’s prinsen: Nergal-sharezer (=Nergal, bescherm de koning!). Deze droeg de titel veldmaarschalk, of veldoverste (Rab-mag) en uit seculiere bronnen blijkt dat hij zeer waarschijnlijk de persoon was die Evil-merodach, de zoon van Nebuchadnezar, vermoorde en zijn plaats op de troon van Babylon voor een periode van 3 jaar (559-556 vC.) in nam. Verder was hij getrouwd met Kashshaya, een dochter van Nebuchadnezar.

De ruïnes van het enige paleis dat op de rechterbank van de Eufraat ligt, heeft inscripties dat het gebouwd is door deze koning. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Labashi-Marduk, toen nog een kleine jongen, welke werd vermoord na een periode van negen maanden door een samenzwering van edelen, een van hen, Nabonadius, besteeg de vacante troon en regeerde voor een periode van 17 jaar (555-538 vC.), de zoon van de Nabonadius was de Belshazzar, welke Nebuchadnezar’s zoon (Dan. 5:11, 18, 22) werd genoemd, omdat hij getrouwd was met zijn dochter.
Tegenwoordig weet men uit inscripties dat Nabonadius een zoon had met de naam Belshazzar (Nabonidus Stele), welke de honeurs van zijn vader waarnam op de troon ten tijde van de val van Babylon, en zou zodoende de kleinzoon zijn van Nebuchadnezzar. De Hebreeuwse taal kent geen onderscheid tussen vader, grootvader of achtergrootvader, dus is dit op deze manier te verklaren.

Targuman heeft de interessante vraagstelling of Adam bij Eva was op zijn blog Gen. 3:6 Was Adam with Eve?

In de grondtekst staat: וַתִּתֵּ֧ן גַּם־לְאִישָׁ֛הּ עִמָּ֖הּ “en zij gaf ook aan haar man met haar“. Men kan hier onder verstaan dat Adam al bij Eva stond, zoals de Nieuwe Vertaling en de Willibrord vertaling doen, maar men kan er ook van uitgaan dat er een tijdsperiode tussen het ontvangen van de vrucht door Eva en het doorgeven aan Adam was.

Tot slot nog een opmerking, in deze tekstpassage wordt niet vermeld om wat voor soort vrucht het gaat. In de 4de eeuw n.C. gebruikte de latijnse Vulgata in de frase “de boom der kennis des goed en des kwaads” (Gen 2:9) het woord malum. Nu heeft in het Latijn het woord malum niet alleen de betekenis van “kwaad” maar ook de betekenis van “de appel”, de vergissing was dus op deze manier gemakkelijk gemaakt.


Update: Targuman heeft een update op “Gen 3:6 – Oh yeah. He was there.” over dit onderwerp.

Update: Targuman gaat verder op dit onderwerp met Gen. 3.6 – Targumim.

Tags:

Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima, En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.

2 Koningen 17: 29-31

Tijdens de ballingschap werd Israël gekoloniseerd door andere volken welke hun eigen afgoden hadden meegenomen. Veel van deze afgoden hadden een astrolatrische oorsprong, zo ook Nergal welke de planeet Mars voorstelde.

Nergal (Nar’-gal, uitspreken als Nereghal) was een god van de stad Cuthah, Cuth of Kutu. In 2 Koningen 27: 30 wordt er gezegd dat de mensen van Cuth, welke door Sargon verbannen waren naar Samaria, een afbeelding maakten van Nergal. Een Phoenisiche begravenis inscriptie opgericht door een Sidoniër te Athene geeft aan dat Nergal ook werd aanbeden te Sidon. Cuthah was een van de prehistorische steden van het rijk Babylon. Zijn god was waarschijnlijk van agriculturele origine en vervulde alle functies, als god, van zo’n stad. Hij werd in latere tijden, toen door politieke verbonden de goden van diverse steden werden gecombineerd in pantheons, de god van de onderwereld. Misschien kwam dit omdat Kutu een belangrijke begraafplaats was; temeer daar Kutu zelf ook een belangrijke naam werd voor de onderwereld. In deze periode werd Nergal ook gezien als de god van pestilentie, van de destructieve effecten van de oorlog en van de gloeiende hitte van de zon. Misschien als god van de doden en de onderwereld werden deze fenomenen met hem geassocieerd.

Volgens de Joden leek hij op een haan, maar een haan vaak werd vaak geassocieerd met een priester op Assyrische monumenten. Anderen zeggen dat het eerste deel van het woord duid op een lamp, bedoeld wordt vuur welke aanbeden werd door de Perziërs waarvan men in de eerste instantie dacht dat deze mensen vandaan kwamen. Hillerus (Onomastic. Sacr. p. 601.) ziet in het woord de fontijn van licht en denkt dat het de zon is welke door de Babyloniërs werd aanbeden.

Door moderne critici, kijkend naar het astrologische karakter van de Babylonische afgoderij, wordt algemeen aangenomen dat hij als god van de oorlog werd geassocieerd met de planeet Mars. In dit kader wordt ook regelmatig het bijbehorende sterrenbeeld Sagittarius genoemd welke onder bescherming staat van Nergal of Nerigal waarmee dan de planeet Mars wordt bedoeld. Interessant is dat de Mandeaen de naam Nerig hebben voor de planeet Mars.

Tags:

Als de richter Simson verliefd wordt op de filistijnse Delilah, probeert deze laatste erachter te komen hoe de Filistijnen Simson kunnen overmeesteren. Als antwoord geeft Simson dat daar “zeven verse zelen” of zoals anderen vertalen “zeven verse pezen” voor nodig zijn.

Er wordt hier voor pezen het hebreeuwse woord yetarim gebruikt. Deze pezen of touwen van yetarim zijn gemaakt van de plant yitran (Thymelaea hirsuta), in het arabisch wordt de plant mitnam “snoer van een tent” genoemd. In feite is het materiaal van deze plant zeer geschikt voor het maken van touwen en is zeer sterk.

Als we de geschiedenis van Simson en Delilah lezen, dan valt ons een paar dingen op. Als eerste leefde Simson in Mahaneh Dan tussen Zorah en Eshtaol (Ri 13:25), echter de yitran groeit daar niet, maar aan de kust. Nu hadden de Filistijnen deze touwen kunnen kopen op de lokale markt, echter Simson’s instructie was duidelijk: het moesten nieuwe verse touwen zijn. Met andere woorden, de Filistijnen moesten dus de plant zelf gaan plukken bij de kust, ze verwerken tot touwen en daarna moesten ze weer terug (een afstand van zo’n 20 kilometer!).

Simson zet dus heel duidelijk de Filistijnen aan het werk, daarnaast is het zeer voorstelbaar dat deze bezigheden is opgevallen door de inwoners van de verschillende plaatsen waar de Filistijnen door heen moesten. Al met al een gigantische publiciteitsstunt. Iedereen zal zich verzameld hebben om de sterke Simson te zien worden gebonden en gevangen te worden genomen.

Men kan de kreten van verbazing en opwinding bijna horen, toen bleek dat deze zeven touwen gemaakt van yitran niet sterk genoeg waren.

Tags:

Als de richter Simson verliefd wordt op de filistijnse Delilah, probeert deze laatste erachter te komen hoe de Filistijnen Simson kunnen overmeesteren. Als antwoord geeft Simson dat daar “zeven verse zelen” of zoals anderen vertalen “zeven verse pezen” voor nodig zijn.

Er wordt hier voor pezen het hebreeuwse woord yetarim gebruikt. Deze pezen of touwen van yetarim zijn gemaakt van de plant yitran (Thymelaea hirsuta), in het arabisch wordt de plant mitnam “snoer van een tent” genoemd. In feite is het materiaal van deze plant zeer geschikt voor het maken van touwen en is zeer sterk.

Als we de geschiedenis van Simson en Delilah lezen, dan valt ons een paar dingen op. Als eerste leefde Simson in Mahaneh Dan tussen Zorah en Eshtaol (Ri 13:25), echter de yitran groeit daar niet, maar aan de kust. Nu hadden de Filistijnen deze touwen kunnen kopen op de lokale markt, echter Simson’s instructie was duidelijk: het moesten nieuwe verse touwen zijn. Met andere woorden, de Filistijnen moesten dus de plant zelf gaan plukken bij de kust, ze verwerken tot touwen en daarna moesten ze weer terug (een afstand van zo’n 20 kilometer!).

Simson zet dus heel duidelijk de Filistijnen aan het werk, daarnaast is het zeer voorstelbaar dat deze bezigheden is opgevallen door de inwoners van de verschillende plaatsen waar de Filistijnen door heen moesten. Al met al een gigantische publiciteitsstunt. Iedereen zal zich verzameld hebben om de sterke Simson te zien worden gebonden en gevangen te worden genomen.

Men kan de kreten van verbazing en opwinding bijna horen, toen bleek dat deze zeven touwen gemaakt van yitran niet sterk genoeg waren.

Tags: ,

Is de vorige blog is gesproken over de breuk die de Joden maakten aan het begin van de Exodus, deze keer wil ik iets dieper op de kalender zelf ingaan.

Ik hoop dat de verschillende hieroglyphen correct overkomen, naast de verschillende arabische teksten (UTF).

In eerste instantie begon het jaar bij de Egyptenaren met het rijzen en overstromen van de Nijl halverwege juli. Dit is niet verwonderlijk daar de rivier veel vruchtbare grond uit de bergen meedroeg en afzette op de vlakten van Egypte. De verrijkte gronden werden zo bruikbaar voor het agriculturele systeem, dat een groot volk kon onderhouden. Niet voor niets werd eeuwen later Egypte de korenschuren van Rome genoemd.

In de achtste eeuw voor Christus werd de vizier, de rechterhand van de farao, belast met het rapporteren van het eerste verschijnen van de ster Sirius nadat deze ongeveer twee weken (afhankelijk van de latitude van de waarnemer) niet zichtbaar was. Deze eerste (heliacale) verschijning van Sirius (lett. “opgang van Sothis”) in de vroege ochtend werd gebruikt om het Egyptische “maan” kalender jaar in te luiden. Kort na deze eerste verschijning in het Oosten, begon de Nijl met zijn jaarlijkse overstromingen. Sir Edwin Arnold {RH Allen, p. 124} schrijft hierover in zijn Egyptian Princess:


“And even when the Star of Kneph has brought the summer round,
And the Nile rises fast and full along the thirsty ground”.

Hoewel veel andere sterren gebruikt kunnen worden voor het begin van een siderisch jaar, maakten de Egyptenaren een uitstekende keus voor dit doel. Sirius, door de Egyptenaren “Sothis” genoemd, komt niet alleen tegelijkertijd op met de overstroming van de Nijl, maar is ook de helderste ‘vaste’ ster aan het firmament. Het is de enige ster waarvan met zekerheid bekend is welke hieroglief de Egyptenaren hiervoor gebruikten: {RH Allen, p. 123} In het huidige Egypte gaat Sirius eind juli op voor de Zon, maar kan voor het ongeoefende oog gewoonlijk niet eerder worden gezien dan augustus. De reden hiervan is, dat als de Zon opkomt, de sterren snel vervagen in het heldere licht van de ochtenstond. Op het moment dat Sirius voor het eerst begint te verschijnen, is het sterrenbeeld Orion volledig zichtbaar net boven de oostelijke horizon. Met de heldere ster Betelgeuse op zijn schouder, en de drie sterren in zijn gordel, is voor iedereen die een beetje bekend is met de sterrenbeelden Orion moeilijk te missen. Sirius is dan de eerste constellatie welke daarna aan de horizon verschijnt (zie afbeelding).

Het jaar {Gardiner p. 203} werd genoemd rnpt, en bestond uit 12 maanden ,‘bd, van 30 dagen hrw, gecomplementeerd tot 365 dagen door vijf epagomenale of “toegevoegde” dagen hryw rnpt {Gardiner p. 191}. Verder werd het jaar verdeeld in 3 seizoenen, 1. ‘ht “overstroming”; 2. prt “winter”, waarschijnlijk van pr “te voorschijn komen” van de velden uit het water; 3. smw “zomer” waarmee misschien bedoeld wordt wsr het “tekort” van water. Verder bestond ieder seizoen uit 4 maanden van 30 dagen, waarvan de griekse benaming is overgeleverd:

  1. ‘ht
    • Maand 1 = , Thot, genoemd naar de god Tegot, Tut of Tuhout, welke de god van wijsheid, wetenschap was. Is de periode van 11 september tot 10 oktober. {Volgens de Coptische kalender: http://www.ecopts.org/coptic_calendar.htm en http://www.saintmark.com/easter.html}
    • Maand 2 = , Phaophi genoemd naar Yee-pee of Ha-pee, de god van de Nijl of van Thebes, ook wel de god van vegetatie, omdat in deze maand de aarde groen wordt door het gewas. Is de periode van 11 oktober tot 9 november.
    • Maand 3 = , Athyr genoemd naar Hator of Hatho,de godin van liefde en schoonheid, dit omdat de landerijen nu op zijn mooist zijn. Is de periode van 10 november tot 9 december.
    • Maand 4 = , Khoiak genoemd naar Ka-Ha-Ka, de god van deugzaamheid, de stier Apis wordt aan hem geofferd. Is de periode van 10 december tot 8 januari.
  2. prt Winter
    • Maand 1 = , Tybi genoemd naar de god Amso of Khem, hij is de regengod, omdat in deze maand de meeste regen valt. Is de periode van 9 januari tot 7 februari.
    • Maand 2 = , Mekhir de god van de storm, omdat juist in deze maand de meeste stormen zijn. Is de periode van 8 februari tot 9 maart.
    • Maand 3 = , Phamenoth genoemd naar Mont, de oorlogsgod. Is een van de warmste maanden van het Egyptische jaar. Is de periode van 10 maart to 8 april.
    • Maand 4 = , Pharmouthi, of Thot genoemd naar Renno, de god van de wind en dood. Gedurende deze maand verdord de vegetatie en wordt de aarde droog door de beruchte woestijnwind Sharav {Zie de sharav}. Is de periode van 9 april tot 8 mei.
  3. smw Zomer
    • Maand 1 = , Pakhon genoemd naar Khonso, de god van de maan. Is de periode van 9 mei tot 7 juni.
    • Maand 2 = , Payni genoemd naar Khenti, een van de namen van Horus de zonnegod. De betekenis is “de god van de metalen”. Is de periode van 8 juni tot 7 juli.
    • Maand 3 = , Epiph genoemd naar Api-fee of Abib, het monster welke de zonnegod Horus , de zoon van Osiris, vermoorde om zijn vader te wreken. Is de periode van 8 juli tot 6 augustus.
    • Maand 4 = , Mesorê Vertegenwoordigd de geboorte van de Zon, wat ook wel bekend staat als de “wisseling van de zomer”. Is de periode van 7 augustus tot 5 september.

In de Coptische kerk {Dr. Medhat R. Wassef http://www.saintmark.com/easter.html} worden deze maanden nog gebruikt en worden in iets gewijzigde vorm als volgt uitgesproken: 1. توت (Tout), 2. بابه (Baba), 3. هاتور (Hator), 4. كيهك (Kiahk), 5. طوبه (Toba), 6. أمشير (Amshir). 7. برمهات (Baramhat), 8. برموده (Baramouda), 9. بشنس (Bashans), 10. بوؤنه (Paona). 11. أبيب (Epep), 12. مسرى (Mesra) en de schrikkeldagen الشهر الصغير (Nasie)

De eerste dag van de maand had vaak een speciale betekenis, zo was tpy (n) ‘kht, wpt-rnp, hb Hnmw; wat betekent “Eerste maand van de overstroming, openende het jaar (= dag 1 ), het feest van de Chnum”. {Gardiner p. 203; Urk. iv. 823}

Verder werd iedere maand nog eens onderverdeeld in decaden , of “weken” van 10 dagen . Deze decaden zijn genoemd naar de kalender maanden in welke zij voorkomen, met als toevoeging “de eerste decade” , “de middelste decade” , en “laatste decade” . Daarnaast hadden ze namen welke zijn afgeleid van de 36 sterrenbeelden, of gedeelten van deze, welke zichtbaar worden op specifieke uren van de nacht gedurenden de 36 verschillende perioden van het jaar. Voor de schrikkeldagen was een 37ste decade toegevoegd met als symbool de ster Sirius.


1 Tepi ken mout. 19 Tepi a semdet.
2 Ken Mout. 20 Seret.
3 Kher khepet Ken Mout. 21 Sasa seret.
4 Hat djat. 22 Kher khepet seret.
5 Pehouy Djat. 23 Akhouy.
6 Tjemat Heret. 24 Baba.
7 Tjemat Kheret. 25 Khent Herou.
8 Oustya. 26 Heri ib khentou.
9 Beka ti. 27 Khent kherou.
10 Tepi a khentet. 28 Qed.
11 Khentet heret. 29 Sasa qet.
12 Khentet kheret. 30 Aret.
13 Tjesech en khentet. 31 Khaou.
14 Sa pet khenou. 32 Remen herou ioun sah.
15 He ib ouia. 33 Mesdjer sah.
16 Chemsou. 34 Remen kher sah.
17 Ken mou. 35 A sah.
18 Semdet. 36 Sah.
37 Sah.


Er is een oude tekst die beweert dat het Egyptische kalenderjaar vanaf het eind van de 17e dynastie van farao’s (circa -1500) 365 dagen had, maar daarvoor 360 dagen {G.P. Verbrugghe & J.M. Wickersham: Berossos and Manetho, Introduced and Translated (1996, University of Michigan Press), waarin delen verzameld zijn van de Geschiedenis van Egypte van Manetho van rond het jaar -280} Met een jaar van 360 dagen zou het begin van het kalenderjaar in slechts ongeveer 70 jaar door alle seizoenen teruggelopen zijn, en met een jaar van 365 dagen in ongeveer 1460 jaar. Die laatste periode wordt nu de Sothisperiode genoemd, maar werd klaarblijkelijk van geen enkel belang geacht in het oude Egypte zelf.

Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste vande maanden des jaars zijn.

Exodus 12:2

De Egyptische kalender, was een zonnekalender van 365 dagen. Daarvoor hadden de Egyptenaren gebruik gemaakt van een maankalender welke zij alleen in stand hielden voor het gebruik van sommige religieuze feesten. Het Egyptische jaar begon op 19 juli (volgens de Juliaanse kalender) met de overstroming van de Nijl, daarnaast observeerden zij ook een astronomisch fenomeen welke zich voordeed in deze periode: het heliacale rijzen van de ster Sirius en wat zij noemden het opgaan van (de godin) Sothis. Volgens Herodotos waren de Egyptenaren het eerst van alle mensen die het jaar hebben uitgevonden.

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat er in de Bijbel weinig is terug te vinden van een Egyptische kalender. Toch zijn er verwijzingen te vinden die erop wijzen dat de Joden, zij het tijdelijk, de Egyptische kalender hebben gehanteerd.

Zo wordt in het boek Exodus de verdrukking van de Joden in Egypte beschreven en lezen we dat God diverse plagen over het Egyptische volk uitzend. Vlak voor de laatste plaag krijgt Mozes instructies van God om het Pascha in te stellen. Vooraf aan deze instructie lezen we in Exodus 12 vers 2 een totaal ander bevel: “Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.” Of zoals Rashi een van de belangrijkste joodse commentatoren uit de 12de eeuw het stelt: “deze zal het begin zijn van de tellingsorde der maanden.” Er wordt hier dus een kalenderhervorming ingesteld en klaarblijkelijk moeten de Joden dus daarvoor een andere kalender hebben gehad. Sommige geleerden menen hierin dan ook te lezen dat de Joden hiervoor de Egyptische kalender hanteerden, wat gezien de omstandigheden logisch lijkt. Ook bij joodse schrijvers als Flavius Josephus en later bij Louis Ginzberg zien we soortgelijke ideeën.

Dat de instelling van het Pascha en die van de nieuwe kalender niet zonder ernstige consequenties was voor de Joden zal blijken uit het volgende. Vanuit de zienswijze van de Egyptenaren, waren deze acties door de Joden een regelrechte opstand. Men moet beseffen dat het lam, of beter gezegd, daar het om een mannelijk dier gaat, de ram , de personificatie was van onder andere de goden Khnem, Medes, Amun en Heryshef. Juist dit offeren was voor de Egyptenaren een direct afwijzen en verwerpen van hun godsdienst. We lezen dit in Exodus 8:26 waar Mozes zegt dat de Egyptenaren aanstoot hieraan nemen en dat de Egyptenaren de Joden zouden stenigen als ze dit zouden doen. In Exodus 12:12 lezen we de andere kant, nl. die van God: “en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE.”Rammen waren het symbool van vruchtbaarheid en juist in deze hoedanigheid had de god van de vruchtbaarheids Heryshef de vorm van een man met een ramshoofd. De Joden moesten dus in het openbaar deze goden afwijzen. De straf van God was zoals in Numeri 33 vers 4 wordt gesteld “de Egyptenaren begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.” In deze context blijkt dan ook dat juist in de dood van de eerstgeborenen, God de afgoden van Egypte, symbolen van vruchtbaarheid en leven heeft getroffen.

Het andere bevel van God, namelijk de instelling van een nieuwe kalender had gelijke consequenties, was het eerste een afwijzing van de religieuze macht der Egyptenaren, dit tweede was een afwijzing van de wereldlijke macht. In tegenstelling tot onze kalender, werd de kalender van de Egyptenaren ieder jaar opnieuw vernoemd naar een specifieke gebeurtenis uit dat jaar. In veel gevallen was dat een vernoeming van de heersende Farao of naar een van zijn heldendaden.

Vergelijk de verschillende Kanttekeningen bij de Staten Vertaling: Deze zelfde maand bij de Hebreën genoemd Abib, Exod. 13:4; anders genaamd Nisan; Neh. 2:1; Esth. 3:7. 3) het hoofd der maanden zijn; Dat is, het begin; alzo staat er Ezech. 40:1, het hoofd des jaars; dat is, het begin des jaars. 4) de eerste van de maanden des jaars zijn. Dat is te verstaan van kerkelijke zaken, maar in politieke zaken begon het jaar met de zevende maand. Zie Exod. 34:22, en Lev. 25:9.

Tags:

« Older entries