January 31, 2006

You are currently browsing the daily archive for January 31, 2006.

Asher

Asher אָשֵׁר (“gelukkig”) was de stamvader van een der 12 stammen van Israel en de achtste zoon van Jakob en tweede zoon van Jakob’s bijvrouw Zilpah (Genesis 30: 1-6), de slavin van Lea.

Asher werd geboren in Paddam-Aram in Mesopotamië (Genesis 35: 26) en zijn naam betekent hij die gelukkig maakt (Genesis 30: 12-13). Hij werd zo genoemd omdat Lea zei Tot mijn geluk! (vs. 13), dit naar aanleiding dat ze geen kinderen meer baarde en via haar slavin Zilpah twee zonen kreeg Gad en Asher (draagmoederschap). De naam is teruggevonden in een Egyptische papyrus (~1750 v.C.) als de naam van een slavin, tevens is hiermee bevestigd dat het om een noordwest semitsche persoonsnaam gaat, wat overeenkomt met de geboorteplaats van Asher.
Verder is bekend dat hij vier zonen had Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en een dochter Sera (Genesis 46:17; 1 Kronieken 7: 30) toen hij naar Egypte ging.

De enige Asheriet van enige betekenis was de profetes Anna, een dochter van Fanuel, welke tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. (Lukas 2: 36-37)

Van de stam op zich weten we dat ze zo waren uitgebreid, dat ze ten tijde van de Exodus meer dan 41500 strijdbare mannen hadden en dat ten tijde van de invasie van Kanaän ze waren gegroeid tot 53400 (Numeri 1: 41). Was de zegen van Jakob zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren (Genesis 49: 20), Mozes’ zegen was Asher zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie (Deuteronomium 33: 24). Uit de geschiedenis blijkt inderdaad dat de vijf belangrijkste geslachten van Asher (Numeri 26: 44-47) de zegeningen, straffen en verantwoordelijkheden van de omzwervingen in wildernis deelden (Numeri 1: 13; 2: 27; 7: 72; 13: 13). In de loop van deze Israelitsche omzwervingen door de woestijn, namen ze hun positie in naast de stammen van Dan en Naphtali. Hun legeringspositie was noordelijk van de Tabernakel (Numeri 2: 27), terwijl tijdens de tochten zelf ze met genoemde stammen de achterhoede vormden (Numeri 10: 25) onder leiding van Pagiel, de zoon van Ochran.

In de verdeling van het land, kreeg Asher van Jozua een smalle strook aan de kust toegewezen noordelijk van de Karmel tot het noorden van Sidon (Jozua 19: 24-31, 34). Dit deel was rijk aan bronnen en vruchtbare gronden, waar de beste olijvenplantages waren (Deuteronomium 33: 24). De verantwoordelijk om dit land in te nemen was de overste Achihud, zoon van Selomi (Numeri 34: 27).
Dat hij en zijn opvolgers hier niet in slaagden blijkt uit het feit dat ze de kuststeden niet konden veroveren op de Phoeniciërs Asher verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; Maar de Asherieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet (Richteren 1: 31-32) Ook deden ze niet mee aan de oorlog tegen Sisera, de krijgsoverste van Jabin welke de oostelijke grenzen van Asher beheerste (4: 2), wel kwamen ze later Gideon te hulp tegen de Midianieten (6: 35; 7: 23).

Bij de kroning van David stuurden zij 40000 manschappen (1 Kronieken 12: 36), maar worden later niet meer genoemd in zijn lijsten. Salomo gaf in ruil van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat als toen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea (1 Koningen 9: 11-14), dit waren steden van Asher en werden door Hiram hiernoemd in het land Kabul (vs. 13) zoals het ook tegenwoordig nog heet.

De laatste keer dat de stam wordt genoemd is in Openbaring 7: 6 waar zij met 12.000 dienaren behoren tot de 144.000 verzegelden.

Simeon (Gen 29:32)

Enige tijd geleden schreven we over de machtsstrijd tussen Lea en Rachel en de verschillende zonen die geboren werden. Eén van de zonen van Lea was Simeon שִׁמְעוֹןGod hoort” (zie de omschrijving in Genesis 29:32).

Simeon is de tweede zoon van Jakob bij Lea (Gen 29:33), vader van een van de 12 stammen van Israel. Hij en zijn broer Levi, wreekten zich op de bewoners van Sichem nadat een prins van deze hun zuster Dina had verkracht (Gen 34: 1-31). Hierdoor kwam de familie van Jakob in een slecht daglicht te staan bij de omringende buren (Gen 34: 30). Uit Jakob’s testament (Gen 49:5-7) blijkt dat na al die jaren hij nog steeds Simeon en Levi als gewelddadige en onrechtvaardige mannen ziet. En in plaats van een zegen vervloekt hij hen, door te zeggen, dat hun nakomelingen over het gehele land verspreid zullen worden. Dit gebeurd dan ook later, zoals we zullen zien.

Simeon was ook de (half)broer die Jozef in gijzeling hield tot Benjamin bij hem gebracht zou worden in Egypte. (Gen 42: 24). Waarschijnlijk werd hij vastgehouden ipv. zijn oudere broer Ruben, om te voorkomen dat er een machtstrijd zou ontbranden om het leiderschap. Verder wasSimeon getrouwd met minstens twee vrouwen, waarvan een een Kanaanitische was (Gen. 46:10), hij had 6 zonen toen hij verhuisde naar Egypte.

Uit deze zonen is de stam Simeon ontstaan, tijdens de 40-jarige tocht door de woestijn, decimeerde het aantal met 50% (Num. 1: 22 aantal mannen 59.300, Num. 26:14 nog maar 22.200 mannen). Zie in dit verband ook Numeri 25: 14 waar Zimri een hoofd van de stam Simeon werd gedood door Pineas te Baal-Peor, omdat hij met een heidense Midianiet ging en daardoor afgoden ging vereren. Zij zijn de kleinste van alle stammen.

De stam kreeg in eerste instantie een gebied in het noordelijke deel van de Negeb (de tegenwoordige Gaza-strook), wat al eerder aan Juda was toegewezen (Jozua 19: 1-9). Het is niet duidelijk of ze ooit dit gebied ooit hebben bewoond, daar een paar honderd jaar later David de stad Ziklag kreeg van de filistijnse koning Achish (1 Sam 27: 6). Toch was de stam van belang voor deze zuidelijke gebieden, want er waren meer dan 7100 die zich aansloten bij David, dit is meer dan de stam Juda (6800; 1Kr. 12: 24-25).

Doordat de stam Simeon binnen de gebieden van de stam Juda woonde, gingen deze steeds meer op tot een stam. (Ri. 1:3; 17-19) Hun afwezigheid in de boeken van Samuel en Koningen is dan ook opvallend. In 1 Kronieken 4: 39-43 lezen we dat ze migreerden naar Edom en het land van Amalek. In 2 Kr. 15:9 en 34: 6 lijkt het erop dat ze worden vereenzelvigd met de gebieden van Efraim en Mannasse welke tot de noordelijke gebieden behoorden. Dit blijkt ook uit het feit dat ze niet tot het 2-stammenrijk ( Juda en Benjamin) behoorden, en dus tot het noordelijke 10-stammenrijk behoorden. Dus de zegen/vloek van Jakob is uitgekomen.

De laatste keer dat de stam wordt genoemd is in Openbaring 7: 7 waar zij met 12.000 dienaren behoren tot de 144.000 verzegelden. Een aanduiding dus dat het echt om Israel gaat en dat de kerk niet hun plaats heeft ingenomen.

Tags: