February 8, 2006

You are currently browsing the daily archive for February 8, 2006.

Enige dagen geleden maakte ik melding dat Joe Cathey en top 5 van archeologische vondsten had opgesteld. Christopher Heard heeft op zijn blog Higgaion een reeks posts gezet onder de titel “Of the making of lists there is no end”. Op dit moment zijn verschenen Deel 1, 2, 3 en 4 een absolute aanrader om te lezen.

Ook Paleojudaica en Stephen C. Carlson hebben een aantal aanvullingen.

Wilde stier

De lezers zullen gemerkt hebben dat ik over het algemeen geen voorstander ben van de Nieuwe Vertaling, echter er zijn een aantal uitzonderingen. Een van deze, is het dier dat de Statenvertalers “eenhoorn” noemden (Ps. 22; Ps. 29; Job 39) en deze vertaling sloot aan bij de Septuagint en de Vulgaat. Echter iedereen weet dat dit een fabeldier is en waarschijnlijk hebben ze de “neushoorn” ermee bedoeld.

Uit de beschrijving in Job 39:12-15 blijkt dat met Hebreeuwse reeëm een sterk dier met machtige horens wordt bedoeld. Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe? Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

Volgens de NBG-vertaling van 1951 gaat het om een woudos. De Groot Nieuwsbijbel spreekt van een stier of een buffel, de Willibrordvertaling van een buffel of een oeros, en volgens sommige onderzoekers zou het ook een spiesbok kunnen zijn.

In De Nieuwe Bijbelvertaling wordt dit dier ‘wilde stier’ genoemd. Na de passage van de wilde ezel in Job 39:5-8 die niet naar drijvers wil luisteren, past in vers 9-12 heel goed een wilde stier, die zich niet laat lenen voor het werk dat normaal door een os wordt gedaan.

Tachash – Dugong

Enige maanden geleden schreef ik met de blogger Andis Kaulins over de vraag of er een relatie was tussen het Hebreeuwse tachash en het Egyptische tḥś ‘fijn leer’. Hij gaf toen een uitgebreide verhandeling hierover. In de Bijbel wordt dit woord gebruikt als materiaal wat gebruikt werd voor de tabernakel (Ex 25: 5; 26:14 ; 35:7 , 23 ; 36:19 ; 39:34) en eenmaal als schoeisel voor de voeten van een vrouw (Ez 16:10).

Nu blijkt dat in de oudere vertalingen van het OT, steeds in verband wordt gebracht met een bepaalde kleur: violet of paars. Omdat het woord tachash meestal voorkomt in combinaite met ‘or, ‘huid, vel’, zou het ook kunnen verwijzen naar een dier. Rashi stelt in zijn commentaar: “תְּחָשִׁ֖ים een soort wild, dat er niet [anders] was, dan op dat tijdstip [van den bouw der "Woning"]; en het had verscheidene kleuren; daarom wordt het [door Onkolos] vertaald: סַסְגּוֹנָא, dat zich verheugt [סס van שוש] en praalt met zijne kleuren [גונא, van גון, kleur] (Shabb. 28a en b, vgl. Tanch.)”. Anderen gaan er van uit dat het de huid is een dolfijn (van het Ar.تُخَسٌ tuḫasun) of van een zeehond, een narwal, een geit, een giraffe of een okapi.

In de NBG is het woord tachash in Exodus en Numeri onvertaald gelaten en staat er ‘tachasvel(len)’. Echter in Ezechiël 16:10 wordt het anders vertaald om zo een bepaalde kwaliteit van het tachashvel te benadrukken. Het gaat om schoeisel van tachash in de context van dure kleren en sieraden. Deze interpretatie zien we ook terug in de weergave van tachash met ‘fijn leer’ in de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel. Bij deze opvatting is niet onbelangrijk dat tachash ook wel als een Egyptisch leenwoord ( tḥś = ‘fijn leer’) wordt beschouwd.

Dit laatste is interessant, daar het ons een aanknopingspunt geeft om achter een andere betekenis van tachash te komen. Bedoeïenen op het oostelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland zouden van oudsher sandalen vervaardigd hebben van de huid van de dugong, een soort zeekoe.

De dugong (Dugong dugon) is de meest aan het leven in de zee aangepaste zeekoe. Het is het enige nog levende lid uit de familie der dugongs (Dugongidae). Een ander lid van de familie, de Stellerzeekoe, stierf uit in de achttiende eeuw. De naam “dugong” komt van het Maleise “duyung“, wat zeemeermin betekent. Waarschijnlijk zijn de legenden over zeemeerminnen ontstaan door ontmoetingen tussen zeelieden en dugongs. De dugong komt tegenwoordig voor langs de kusten van de Rode Zee, de Indische Oceaan en de westelijke Grote Oceaan. Langs de Afrikaanse kust is hij te vinden van Egypte tot Mozambique en Madagaskar. Hij is vrij algemeen in de Perzische Golf, en verder komt hij in Azë voor van Pakistan tot Sri Lanka, en van Okinawa, Japan zuidwaarts via Indonesië en de Filipijnen tot Melanesië en het Groot Barrièrerif.

  • Brown, D.D., D.Litt. Francis, Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon p. 8476
  • Dorp, Dr. J. van, Met Andere Woorden, p. 05/3 p11-13
  • Encyclopedie, , The Catholic Encyclopedia, p. BADGER, http://www.newadvent.org/cathen/01517a.htm
  • Onderwijzer, A.S., Rashie’s Pentateuch commentaar II, שמות p. 348

In de lijsten van reine en onreine dieren wordt ook het “duikertje” genoemd (Lev. 11:17; Deut. 14:17). Hedendaagse vertalingen als de Willibrord geven “aalscholver”, NV “visuil” en Naardense vertaling “visdief”.

Het woord שָׁלָךְ shalak komt maar alleen op deze twee plekken in de Bijbel voor, en staat vermeld onder de onreine dieren tussen de uilen en de moerasvogels. Nu is het altijd moeilijk om een woord welke maar één of twee keer voorkomt correct te vertalen, hier hebben we als extra aanduiding dat het of om een uil of om een moerasvogel gaat. Daarnaast kunnen we van de stam van het woord shalak afleiden dat het om een “duiker” gaat.

Velen gaan er tegenwoordig van uit dat de שָׁלָךְ shalak de aalscholver (Phalacrocorax carbo) is, welke algemeen voorkomt aan de kust van de Middellandse Zee en de Jordaan vallei. De vogel is een fervente visrover en zijn vlees smaakt hierdoor zeer sterk naar vlees.

Tags: , , ,