‹ De brief aan de HebreeënNog meer boeken Egyptica online... ›
De brief aan de Hebreeën (2)
Gepubliceerd op 28-06-2009

Dit is het tweede artikel van een driedelige reeks over de brief aan de Hebreeën door Paul Cuijpers. Het eerste deel is hier te lezen.

De opening van de brief doet meteen vermoeden dat de auteur zelf ook een Joods Christen is. Dit is niet de gebruikelijke manier waarop een schrijver heidenen begroet, maar het benadrukken van het gemeenschappelijke dat de auteur en de geadresseerden deelden. God sprak 'in de profeten tot de vaderen, maar1 nu in het laatst der dagen heeft hij gesproken tot ons in de Zoon, zegt vers 2. Daarmee worden de auteur en de geadresseerden bedoeld. De brief begint dus met deze redenering, zoals ook in de eerste brief van Johannes het geval is. De groet ontbreekt. In vele andere brieven is de groet wel aanwezig, en daardoor wordt al snel geconcludeerd dat het geen brief is, maar een geschreven voordracht, de eerste christelijke preek2 of woord tot vermaning.3 Vers 13:22 spreekt inderdaad van de laatste suggestie. Zo'n woord tot vermaning kon wel iets weghebben van een gesproken voordracht (Hand. 13:15), maar dit hoeft niet zo te zijn. Het Griekse woord voor Vermaning wil zoveel zeggen als 'uitleg en appèl' en dit komt incidenteel ook in briefvorm voor. In de brief staat op andere plekken ook vaak 'het woord' en 'spreken' (o.a. Heb. 12:25, 2:1-4), zelfs de meeste citaten uit de brief worden voorafgegaan door het woord 'spreken'4 Het was voor de auteur belangrijk te benadrukken dat God sprak, dat het Woord daardoor leeft, en dat de gelovigen luisteren naar Zijn stem. Deze aspecten zijn ook te vinden in de brief van Jacobus (1:22, 2:5), Petrus (1 Petr. 1:23-24) en natuurlijk Johannes (1 Joh 1:1-10). De brief heeft het karakter van de vermaning in de goede betekenis van dat woord: de lezer wordt onderwezen in liefde. De auteur laat dit bijvoorbeeld zien door na een ernstige waarschuwing (Heb. 3:12) voor het ontrouw worden aan God, te benadrukken dat vermanen aan elkaar nodig is, zodat ze weer trouw worden aan hun eerste overtuiging, in hierdoor samen 'delen' in de Messias. Ook de term 'lieve vrienden' in Heb. 6:9 toont warmte. Tenslotte valt het op dat de manier van exegese die de auteur gebruikt door en door Joods is. In navolging van de Jood Jezus zelf (zie Joh. 7:23), is de brief aan de Hebreeën voor een groot deel opgebouwd volgens de eerste regel van Hillel, kal w'chomer, dat zoiets betekent als "licht en zwaar"5. Een waarheid wordt gevolgd door een nog grotere waarheid, en in de bijbel is dit vaak verwoord met 'hoeveel te meer'. De brief aan de Hebreeën begint hiermee, door Jezus de Messias letterlijk 'op te hemelen' als de meerdere van de Engelen, zittend op de troon. De anticlimax ligt in vers 13, waar heel duidelijk wordt gemaakt dat Jezus de meerdere is. Ook de vergelijking met Mozes (Heb. 3:1-6) en de bekende vergelijking met Melchisedek (Heb 7:1-8) verlopen volgens deze Joodse exegese. Alsof dit nog niet genoeg is, wordt ook nog de tweede regel van Hillel, gezerah sjawa (gelijke beslissing) gebruikt door twee schijnbaar tegengestelde teksten over de sabbat met elkaar te laten rijmen (Heb. 4:3-5)6. De uitleg over de dierlijke offers in Hebreeën 10:5-9 volgt, zij het wat minder opzichtig, de zesde regel van Hillel, kejose bo bemaqom acher. De moeilijkheid was dat dierlijke offers volgens de Tora gedaan moesten worden, maar de auteur wilde laten zien dat dierlijke niet meer nodig zijn. De oplossing daarvoor is Psalm 40:7-9, waarin dierlijke offers niet meer naar Gods wil zijn. Deze tekst zegt 'het is geschreven over mij, ik ben gekomen om Uw wil te doen'. De auteur verbindt deze ik-persoon met Jezus, en zo kan het vervallen van het eerste systeem van dierlijke offers op een terechte wijze worden beargumenteerd. De climax bestaat erin dat de auteur benadrukt dat het offer van Christus het eerste systeem overtreft, en dat is weer de regel van kal w'chomer. Tenslotte bevat de brief ook nog enkele expliciete midrasjiem. Dit houdt in dat een tekst uit de Tenach wordt gevolgd door nog een tekst, een verklaring met andere citaten en voorbeelden, en een afsluiting die teruggrijpt op het begin. Het geheel wordt verbonden met sleutelwoorden, door de taalkundige theoloog Jannes Reiling ook wel haakwoorden genoemd7. De uitleg over de dierlijke offers die net genoemd is is het begin van zo'n midrash. De tekst van Habakuk aan het einde van de Midrash grijpt terug op Psalm 40. Sleutelwoorden als offer, offerande en komen verbinden het geheel.8 In hoofdstuk 12 is de tekst uit Spreuken 3:11-12 over discipline het begin van een Midrasj, die aan de hand van sleutelwoorden 'zonen' en 'discipline' en de tekst uit Jesaja uiteindelijk weer teruggrijpt op het correcte pad, door Spreuken 4:26 aan te halen. Ook Heb. 3:8 tot en met 4:11 over de sabbatsrust gelijkt op een Midrasj.9 De stijl toont, kort gezegd aan, dat de auteur stond in de traditie van de Joodse exegese. Theologen die de brief aan de Hebreeën Alexandrijns inkleuren, ook qua adressering, zijn of misleid door de verre verwantschap met de Griekse retorica10, of ze zijn stomweg blind11

.

Theologie

De blindheid komt ook voort uit het misverstaan van de theologie. Als we de brief allegorisch proberen te lezen, kunnen we uitkomen op een vervanging van het oude naar het nieuwe. Alleen het nieuwe verbond is dan van belang, Israël niet meer. De brief wordt dan, in de woorden van Schelke, 'door en door nieuwtestamentisch'.12 Maar dan lezen we, ook volgens Reiling die de brief ziet als Griekse retorica, verkeerd13. Nieuwe getuigen worden toegevoegd aan de weg die God gaat, ze mogen binnengaan in de nieuwe, nog betere tent (Heb. 11:40 en Heb. 9:11-12) lijkt de auteur eerder te willen zeggen (Heb. 11:40) Als we de brief lezen volgens de Joodse exegese, is er sprake van zulk een continuïteit. Aan de hand van de Waarheid uit wat God gesproken heeft door de profeten (Heb. 1:1), komt een grotere Waarheid naar boven. De definitieve uitleg begint met Melchisedek, en komt tot de kern in de stelling dat er een middelaar is tussen God en mens, namelijk Jezus Christus (Heb. 8:6) die de onderwijzing en wetten (Tora) in hun harten schrijft (Heb. 10:16-19). Het laatste vormt de climax, en laat ook zien dat de onderwijzing en wetten niet worden weggevaagd, maar in plaats daarvan op een hoger plan getild worden. Het nomotheoteo uit Hebreeën 8:6 moet dan ook, in navolging van hetzelfde Griekse woord uit Heb. 7:11, vertaald worden met Tora plaatsen/geven. Waardoor het duidelijk wordt dat juist het nieuwe verbond wordt geplaatst in de Tora zelf (Heb. 8:6, vertaling CJB)14

Door het kijken naar de adressering, stijl en theologie van de auteur (of auteurs) van de brief, is het nu duidelijk dat deze een goede band had met Rome en met Timoteüs, veel kennis had van het Oude en Nieuwe Verbond15 en de Joodse exegese. De auteur is verder overtuigend, vermanend doch betrokken en een Joods Christen. Zoals al eerder gezegd, is het niet mogelijk om met zekerheid een naam aan deze persoon of personen te verbinden. Het is ook niet van het hoogste belang om de auteur en de tekst te begrijpen. Toch kan een naam houvast geven, omdat we dan de geschiedenis van diegene(n) in verbinding kunnen brengen met de brief aan de Hebreeën.

Als we kijken naar de kerkelijke traditie barst er al vroeg een discussie los wie de auteur is. Paulus is de meest genoemde naam, andere namen zijn Lucas, Clemens van Rome en Barnabas.

1Het is niet geheel duidelijk of maar in de grondtekst staat. De Studiebijbel Hebreeën – Judas laat een woord onvertaald. D. Stern vertaalt in zijn Complete Jewish Bible wel met ' But now' in vers 2. De verandering tussen vers 1 en 2 in spreken tot het volk maakt de vertaling met 'maar' echter wel acceptabel.

2K. Schelkle, Oorsprong en betekenis van het Nieuwe Testament (Roermond, 1964)

3G. van den Brink e.a., Studiebijbel Hebreeën – Judas

4J. Fokkelman en W. Weren, De Bijbel literair (Zoetermeer/Kapellen, 2003), p. 683, 687

5 A.W. Zwiep, Tussen tekst en lezer: een historische inleiding in de bijbelse hermeneutiek deel 1 (Verkorte versie, 2008), p. 29

6A.W. Zwiep, Tussen tekst en lezer, p. 30-31

7J. Fokkelman en W. Weren, De Bijbel Literair; op p. 683-685 gebruikt Reiling de term haakwoorden, die dezelfde functie als sleutelwoorden hebben. De opbouw op p. 684 lijkt ook erg op een exegese volgens kal w'chomer, hoewel Reiling dat niet ziet.

8A.W. Zwiep, Tussen tekst en lezer, p. 37

9Deze twee Midrasjiem, en enkele voorbeelden van het gebruik van regels van Hillel komen voort uit eigen onderzoek

10In Bijbel literair ziet schrijver Reiling wel een verwantschap met de hellenistisch-romeinse persuasieve rede, maar hij geeft toe dat het niet mogelijk is om de brief via deze regels precies in te delen (zie p. 686)

11D. Guthrie, New Testament Introduction, p. 679 en p. 700 veronderstellen een Alexandrijnse kleuring

12K. Schelke, Oorsprong en theologische betekenis van het Nieuwe Testament, p. 186

13J. Fokkelman en W. Weren, de Bijbel Literair, p. 694

14D. Stern, Het evangelie is Joods (Hoornaar, 2002), p. 68-69

15D. Stern spreekt liever, ook in licht van de Brief aan de Hebreeën, van 'Old and New Covenant', zie Complete Jewish Bible, p. xix-xx

Paul Cuijpers (28) is journalist en deeltijdstudent Godsdienst Pastoraal Werk (ETH/ETF) aan de Christelijke Hogeschool Ede.


Tags: Aan het woord, Gastschrijvers, Hebreeën

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Hadderech