H2256 חֶבֶל
koord, smarten, banden, deel, meetsnoer(en), hoop, snoer, landstreek, zeel, weeën, touw

Bijbelteksten

Job 21:17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat [God hun] smarten uitdeelt in Zijn toorn!
Job 36:8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
Job 39:6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Job 40:20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, [dat] gij laat nederzinken?
Psalm 16:6De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
Psalm 18:5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.
Psalm 18:6Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
Psalm 78:55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer [hunner] erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.
Psalm 105:11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.
Psalm 116:3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
Psalm 119:61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; [nochtans] heb ik Uw wet niet vergeten.
Psalm 140:6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
Spreuken 5:22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
Prediker 12:6Eer dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan den bornput in stukken gestoten wordt;
Jesaja 5:18Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als [met] dikke wagenzelen!
Jesaja 13:8En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeen zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.
Jesaja 26:17Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeen, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.
Jesaja 33:20Schouwt Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen verscheurd worden.
Jesaja 33:23Uw touwen zijn slap geworden, zij zullen hun mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, [zelfs] zullen de lammen den roof roven.
Jesaja 66:7Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.

Mede mogelijk dankzij

StudieboekenStudieboeken