G2992 λαός
mensen, volk, stam, natie
Taal: Grieks

Onderwerpen

familie, clan, huis,

Statistieken

Komt 142x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

la'os, zn m, blijkbaar een primair woord; TDNT - 4:29,499;


1) mensen, volk, een volk, stam, natie, allen die dezelfde afkomst en taal hebben
2) een groot deel van de bevolking ergens bijeen verzameld


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

λαός, -οῦ, ὁ, [in LXX very freq. for עַם H5971, Ge 14:16, al.; occasionally for לְאֹם H3816 ( Ge 25:23, al.), etc.;] 1. the people at large (Hom., al.), esp. of people assembled: Mt 27:25, Lk 1:21 3:15 al.; pl. (Hom., al., π.; v. MM, xvi), Ac 4:27. 2. a people, those of the same race and language (Pind., Æsch., al.: in LXX, Ge 26:11, Ex 9:16, al.): joined with γλῶσσα, φυλή, ἔθνος, Re 5:9 7:9 11:9, al.; pl., Lk 2:31, Ro 15:11; esp. as almost always in LXX, of Israel, Mt 4:23, Mk 7:6, Lk 2:10, Jo 11:50, He 2:17, al.; opp. to τ. ἔθνη, Ac 26:17, 23, Ro 15:10; οἱ πρεσβύτεροι (πρῶτοι, etc.) τοῦ λ., Mt 21:23, Lk 19:17, Ac 4:8, al.; ὁ λ. μου (αὐτοῦ, τ. θεοῦ), Mt 2:6, Lk 1:68, He 11:25, al.; of the people disting. from the rulers and priests ( I Es 1:10, Jth 8:9, al.), Mt 26:5, Lk 20:19, He 5:3, al.; of Christians, as the people of God, Ac 15:14, Ro 9:25, 26, He 4:9; περιούσιος, Tit 2:14; εἰς περιποίησιν, I Pe 2:9(LXX).

SYN.: v.s. δῆμος.


Synoniemen


Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δῆμος G1218 "volk"; Grieks Λαοδίκεια G2993 "Laodicea"; Grieks λειτουργός G3011 "ambtenaar, staatsdienaar, bediende";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden algemeen