H1961 הָיָה
zijn, worden, gebeuren, geschieden, bestaan, uitvallen, vergezellen, plaatsvinden, rijzen, verschijn
Taal: Hebreeuws

Statistieken

Komt 3603x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

hayah, ww., een primitieve stam; TWOT 491


1) "zijn, worden", ie. "het bestaan"; 1a) (Qal); 1a1) -----; 1a1a) gebeuren, uitvallen, geschieden, plaatsvinden, overvallen; 1a1b) geschieden, toevallig gebeuren; 1a2) gebeuren, worden; 1a2a) rijzen, verschijnen, komen; 1a2b) worden; 1a2b1) worden; 1a2b2) worden als; 1a2b3) opgericht worden, tot stand komen; 1a3) zijn; 1a3a) bestaan, tot bestaan komen; 1a3b) blijven, voortduren, voortbestaan (met een tijds- of plaats- bepaling); 1a3c) staan, liggen, zitten, zijn, gelegen zijn (met plaatsbepaling); 1a3d) vergezellen, gaan met; 1b) (Niphal); 1b1) gebeuren, plaatsvinden, gegeven zijn, tot stand gebracht zijn; 1b2) to be done, be finished, be gone

To give express emphasis to an action continuing in the past, the perfect הָיָה‎ in the corresponding person is sometimes added to the participle, and similarly the imperfect יִֽהְיֶה‎ (or the jussive יְהִי‎, or the imperfect consecutive) is used to emphasize an action continuing in the future, e.g. Jb 1:14 הַבָּקָר הָיוּ חֹֽרְשׁוֹת‎ the oxen (cows) were plowing; Gn 37:2, 39:22, Ex 3:1, Dt 9:24, Ju 1:7, 1 S 2:11, 2 S 3:6; the same occurs with a passive participle, e.g. Jos 5:5, Zc 3:3; יִֽהְיֶה‎ with a participle is found e.g. in Is 2:2; the jussive in Gn 1:6, ψ Ps 109:12 (A jussive is practically to be supplied also in the formulae of blessing and cursing, בָּרוּךְ‎ blessed be ... Gn 9:26, &c.; אָרוּר‎ cursed art thou ... 3:14, &c.); and ויהי‎ with a participle in Ju 16:21, Neh 1:4 (Gesenius, Grammar, §116r).

Of (b): naturally this does not apply to the examples, in which הָיָה‎, in the sense of to become, to fare, to exist, still retains its full force as a verb, and where accordingly the sentence is verbal, and not a noun-clause; especially when the predicate precedes the subject. On the other hand, such examples as Gn 1:2 and the earth was (הָֽיְתָה‎) waste and emptiness, can scarcely be regarded as properly verbal clauses; הָֽיְתָה‎ is used here really only for the purpose of referring to past time a statement which, as the description of a state, might also appear in the form of a pure noun-clause; cf. Gn 3:1. This is especially true of the somewhat numerous instances in which הָיָה‎ occurs as a connecting word between the subject and the participial predicate; e.g. Ju 1:7, Jb 1:14 (immediately afterwards a pure noun-clause). The imperfect of הָיָה‎ announces what is future in Nu 14:33, &c.; cf. §116r. However, especially in the latter case, הָיָה‎ is not wholly without verbal force, but comes very near to being a mere copula, and this use is more frequent in the later books (According to Albrecht, ZAW. viii. 252, especially in Deuteronomy and in the Priestly Code) than in the earlier (Gesenius, Grammar, §141i).


Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws אֱהִי H165 "waar"; Hebreeuws הָוָא H1933 "zijn, worden, bestaan, gebeuren, vallen"; Hebreeuws יְהֹוָה H3068 "JHWH, HEERE, God, Godsnaam";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

 Sieraden algemeen