‹ Ster van Bethlehem: Aurora BorealisMoerbezienboom (2 Sam 5:23-24) ›
Strafwetgeving in het Oude Testament
Gepubliceerd op 03-12-2005

De afgelopen dagen staat de uitvoering van de doodstraf weer in de belangstelling.
Tijdens het Symposium van het CvB te Veenendaal, was dan ook één van de onderwerpen de Strafwetgeving in het Oude Testament, welke werd gehouden door Drs. C.C. Stavleu en Dr. A.E.M.A. van Veen-Vrolijk. Hieronder een kort verslag van deze:

In de Pentateuch treffen we de doodstraf aan in de vorm van steniging (Lev. 20:2) of verbranding (Lev. 20:14). Welke motieven liggen ten grondslag aan die straffen? De volgende werden behandeld:

1) Het motief van Gods heerlijkheid en de heiligheid van Israël

Het theologische concept dat ten grondslag ligt aan de wetsteksten is de heerlijkheid van God, die woning heeft gemaakt temidden van de Israëlieten. De Here verzamelt een heilig volk rondom zich (Ex 19:5,6). Bij het volk bestaat een verschil tussen 'heilig' en 'rein'. Reinheid is de normale toestand waarin Israëlieten zich moeten bevinden. Heiligheid is het aspect van toewijding. Er is echter veelvuldig sprake van verontreiniging en ontheiliging van de plaats waar Gods heerlijkheid vertoeft. Reiniging vindt plaats door offers en verootmoediging.
2) Bescherming van heiligheid als dragend concept voor strafwetgeving
Strafwetten worden uitgevoerd bij overtredingen die zo verontreinigend zijn dat offerpraktijken ontoereikend zijn. Dit zijn overtredingen die verband houden met rechtstreekse overtredingen van de Tien geboden.
3) Gradaties in heiligheid als constituerend element in de wetgeving
Er bestaan gradaties in heiligheid, zoals allerheiligst (Het heilige der heiligen) en heilig. Deze gradaties zijn mede constituerend voor de strafwetgeving. We ontdekken de regel: hoe dichter bij de heerlijkheid, des te zwaarder de bestraffing. Een priesterdochter wordt bijvoorbeeld zwaarder geoordeeld dan een gewone vrouw (Lev. 22:9).
4) De Israëlieten als symbooldragers
De regelgeving brengt ons bij enkele aspecten in de reinigheidswetgeving (Lev. 11-15). Een opmerkelijk voorbeeld van strafwetgeving is dat iemand met een gevreesde huidziekte wordt verstoten uit de verbondsgemeenschap (Lev. 13). Deze persoon symboliseerd de dood.
Ook werd de verbinding naar het Nieuwe Testament aangegeven:

1) Discontinuïteit
Het doel van de strafwetgeving is het behoud van de heerlijkheid van God in het midden van de Israëlieten. De heiligheid van het volk moet worden gehandhaafd en in extreme situaties moeten strenge straffen ten uitvoer worden gebracht. Het koninkrijk van God krijgt in de nieuwe bedeling echter een andere gestalte: er is geen sprake meer van een natie rondom de heerlijkheid van God. Het Nieuwe Testament kenmerkt zich door de heerlijkheid van God in het hart van de gelovige en door de aanwezigheid van Christus in de gemeente. Het koninkrijk in het NT heeft dus geen natiegestalte meer. Op grond van het Oude Testament kunnen daarom geen beweringen worden gedaan over de legitimiteit van de doodstraf.
2) Het behoud van de heerlijkheid in het Nieuwe Testament
Tuchtuitoefening binnen de gemeente vindt haar basis in de oudtestamentische strafwetgeving. De kandelaar kan worden weggenomen uit het midden van de gemeente (Opb. 2:5). Tevens kent het Nieuwe Testament ook de voorstelling van het lichaam als tempel van de Heilige Geest (1 Cor 3:16).
Tijdens de discussie, die hierop volgde kwam naar voren dat er een verschil moet worden gemaakt tussen de Mozaïsche wetgeving (Leviticus) en de Noachische wetgeving (Gen 9:5,6) betreffende de doodstraf.


Tags: Uncategorized

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker