Ster van Bethlehem: Politieke en culturele achtergronden

Bij de analisering van de “Ster van Bethlehem”, zal, om een goed inzicht te krijgen, gekeken worden hoe men toen leefde, waar men zich toen mee bezig hield en andere achtergronden welke direct danwel indirect te maken kunnen hebben met ons onderzoek.

De tijd waarin de gebeurtenissen van ons onderzoek plaatsvond mogen we plaatsen naar het jaar ‘nul’ van onze kalender. Dat de exacte datum niet deze datum was doet voor het verkijgen van de genoemde achtergrond informatie niet ter zake, daar binnen een paar jaar de culturele setting niet al te snel veranderd. Dat het inderdaad om deze periode gaat mogen afleiden uit het feit dat in de desbetreffende passages van de Bijbel de Romeinse politici, zoals keizer Augustinus en koning Herodus, die beiden regeerden in een periode van 40 v.C. tot 15 n.C. worden genoemd.

De vorming van het Joodse volk
Om inzicht te krijgen in de complexe politieke achtergronden, uit die periode, is het noodzakelijk om in de tijd terug te reizen en eerst te kijken hoe het Joodse volk is ontstaan.

De Joden waren ervan overtuigd, dat het verbond, dat gesloten was tussen God en hun voorvader Abraham en met diens nakomelingen (Gen 15: 18-21), hen de speciale status had gegeven van het uitverkoren volk. Dit idee, uitgewerkt in de Thora , kreeg vorm toen ze door Mozes uit hun Egyptische slavernij waren bevrijd en in hun vlucht, ook wel de Exodus genoemd, op weg waren naar het beloofde land Kanaän. Nadat zij eenmaal dit land in bezit hadden genomen werden ze in de eerste instantie bestuurd door richters. Op een gegeven moment stelde de profeet Samuël, op verzoek van het joodse volk Saul aan tot koning. Zijn opvolger was David, een man die naast een voortreffelijk soldaat en staatsman ook nog artistiek en verstandelijk begaafd was. Onder diens regering werd een theocratische staat ontwikkeld en was een van de hoogte punten van de joodse geschiedenis. David stierf omstreeks 950 v.C. en werd door zijn zoon Salomo opgevolgd. Salomo was een wijs koning die via militaire en politieke activiteiten (hij sloot vele verdragen met buurlanden) Israël tot een grote natie maakte. Hij was tevens de man die de grote tempel in Jeruzalem bouwde. Na zijn dood viel het rijk in tweeën en begon de Israëlische macht te tanen. Het volk verviel tot afgoderij, waartegen de profeten optraden. Uiteindelijk was het land dermate verzwakt, dat in het midden van de 8ste eeuw v.C. de Assyrische koning Sargon II besloot dat de tijd, om Israël te vernietigen was aangekomen. De tien belangrijkste stammen van de Israëlieten werden afgevoerd naar de diverse delen van het Assyrische rijk en werden verstrooid. De twee overgebleven stammen die woonden in Judea werden nadat het Assyrische rijk door een gezamenlijk leger van Perzen en Babyloniërs werd vernietigd, aangevallen in 586 v.C. door Nebukadnezar II. De tempel van Salomo werd vernietigd en de 2 overgebleven stammen werden afgevoerd naar Babylon.

Hier in Babylon waren de Joden intussen bezig zich geestelijk te herstellen en de voorloper van de synagoge ontstond. Een van hun profeten, Ezechiël, sprak op grote bijeenkomsten en bij vele gelegenheden het Joodse volk toe en gaf hun hoop op terugkeer. Een andere profeet: Daniël had een hoge positie aan het hof aldaar gekregen. De Perzische koning Cyrus trok in circa 540 v.C. Babylon binnen en maakte een eind aan het Babylonische rijk (Dan 6). Onder zijn heerschappij hadden de Joden een relatief vrije godsdienstuitoefening en mochten na hun terugkeer in 538 v.C. de tempel herbouwen (Ezra, Nehemia). De vreemdelingen die zich in het land Kanaan hadden gevestigd, beter bekend onder de naam Samaritanen, werden hun voornaamste vijanden, mede doordat de teruggekeerde Joden niet toestonden dat ze meebouwden aan de Tempel. In het jaar 480 v.C. werd een komplot tegen de Joden gemaakt, om deze uit te moorden. Dit is naar mij bekend de eerste keer dat antisemitisme voorkwam. Deze wordt echter door Esther, de Joodse vrouw van de Perzische koning Ahasveros (Esther 1-10), samen met haar neef Mordechai verijdeld. De Joden vieren dat heden ten dage nog door het Purimfeest (ong. 1 maand voor Pasen).

Tegen het einde van de vierde eeuw v.C. vernietigde de Macedoniër (c.q. Griek) Alexander de Grote het Perzische rijk en veroverde de landen tot aan de grenzen van India. Grieks werd de hoofdtaal (zoals nu het Engels) van de wereld en de eerste boeken van het Oude Testament werd hierin vertaald; deze vertaling heet “Septuagint” (=70, het is nl. door zeventig oudsten vertaald). Hierdoor werden de Joodse ideeën wijd en zijd in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee verbreid. Onder de overheersing van de Seleucidische Grieken, kregen de Joden en de andere inwoners van Israël een grote mate van autonomie. De godsdienstvrijheid werd niet aangetast en de hogepriester kreeg geleidelijk aan steeds meer macht. Echter slechte sociale omstandigheden bracht ontevredenheid en veroorzaakten opstandigheid onder het volk. Als represaillemaatregel kwamen er religieuze vervolgingen die uiteindelijk leidden tot de opstand van de Makkabeeën (168 – 164 v.C.). Uiteindelijk werd er een bestand gesloten, hierbij aanvaardden de Joden de politieke afhankelijkheid in ruil voor godsdienstvrijheid. En opnieuw kreeg de hogepriester geleidelijk aan steeds meer macht, in de eerste instantie alleen in religieuze zaken, maar later ook in de politieke. Op een gegeven moment begonnen de Romeinen, in hun drang om de wereld te beheersen, interesse te tonen voor Israël en in 63 v.C. werd door de Romeinse generaal Pompeius Judea veroverd en gedegradeerd tot een vazalstaat.

De politieke achtergronden
We zijn nu in de periode beland welke van belang is van ons onderzoek. Tot deze tijd waren de Joden of trouw gebleven aan de wetten van Mozes en de Thora of hadden ze de voorkeur gegeven aan de ideeën van hun overheerser van dat ogenblik, zoals de Grieken of de Syriërs. Na de Maccabese oorlogen ontstond er een partijsysteem in de Joodse politiek. De voornaamste voorstanders van de oude Wet kwamen grotendeels uit de lagere standen en de middenklasse, zij werden Farizeeërs genoemd, patriotten, die vasthielden aan de opvatting, dat de Joden “afgescheiden” moesten blijven van alle niet-joden. Hun voornaamste tegenstanders waren de Sadduceeën, die voornamelijk de hogere standen vertegenwoordigden en veelvuldig het Hogepriesterschap bezaten en daardoor de meeste macht hadden. Ze legden trouwens de Wet ook anders uit. Naast deze hoofdparijen waren er nog verscheidene andere splintergroeperingen, die met geen van tweeën verbonden waren en meer aanhanger bleven van de Maccabese idealen.

Naast deze Joodse politiek was er ook de Romeinse politiek die de gehele wereld rondom de Middellandse Zee beïnvloedde. Zo neemt Pompeius in 63 v.C. Jeruzalem in, en wordt in 48 v.C. vermoord in Egypte door de beroemde Julius Caesar. In het jaar daarop zet Julius Ceasar Cleopatra op de troon van Egypte en verslaat vervolgens zonder veel moeite Pharnaces (Na deze daad sprak Julius Caesar de gevleugelde woorden “Veni, vidi, vici” =Ik kwam, ik zag, ik overwon). Om de politieke onrust in het gebied Judea tot bedaren te brengen stelde hij Herodes tot gouverneur aan. Tevens werd de bijna onaantastbare machtspositie van de hogepriester ingedamd, o.a. door de bepaling dat deze per jaar opnieuw gekozen moest worden. Na de dood van Julius Caesar, komt zijn stiefzoon Octavianus aan de macht. In 27 v.C. geeft Octavianus afstand van zijn bevoegdheden, en geeft de macht aan de senaat terug. Deze verleent hem dan de eretitel “Augustus”. Deze Augustus was het nu waarvan de evangelist Lucas spreekt over de volkstelling (Luk 2: 1).

De laatste politicus, welke het politieke toneel in Judea bepaalde was de reeds eerder genoemde Herodes. Hij begon zijn regering als gouverneur in het jaar 47 of 46 v.C. over Galilea en werd later koning over Judea in 37 v.C. Tijdens zijn regering was hij enerzijds populair, doordat hij ter ere van Caesar verschillende theaters, amfitheater bouwde, en racebanen liet aanleggen voor zowel paarden als mensen. Daarnaast bouwde of herbouwde hij verschillende forten en tempels (inclusief Straton’s toren welke hernoemd werd in Caesarea). Zijn grootste werk was het herbouwen van de tempel te Jeruzalem in 20 v.C. Anderzijds was hij zeer wreed, hij liet al degenen, die ook maar de minste verdenking van verraad op zich hadden geladen, zijn eigen vrouw incluis, vermoorden. Daarnaast organiseerde hij grootscheepse zuiveringsacties, door deze politiek ontstond langzamerhand een politiestaat. Zijn spionnen en geheime politie waren overal aanwezig. Aan het einde van zijn leven namen Herodes’ achtervolgingswaanzin en de daarmee gepaard gaande wreedheden toe. In dit kader, is het bevel om alle jongetjes in Bethlehem en omstreken te vermoorden, om zo te voorkomen dat er een potentiële troonopvolger zou zijn, zeker niet vreemd. Hij liet zelfs, toen hij al op zijn sterfbed lag, en na een mislukte zelfmoordpoging, zijn zoon Antipater vermoorden toen hij hoorde dat deze de troon wou bestijgen.

In deze omgeving nu vinden we in Mattheüs (2: 1-13) naast de hoofdpersonen Jezus Christus en zijn moeder Maria, Jozef de man van Maria, koning Herodes met zijn zoon Archelaüs, de overpriesters, de schriftgeleerden en tot slot de magiërs. In het evangelie van Markus en Johannes lezen we niets over de geboorte van Jezus. In het evangelie van Lukas (2: 1-40) vinden we, naast de reeds eerder genoemde personen, ook de herders, Simeon en de profetes Hanna. Als laatsten worden genoemd de Romeinse keizer Augustus en zijn gouverneur over Syrië Quirinius. Een belangrijk detail wat hier verder wordt genoemd, is dat er een volkstelling was, waarvoor Jozef en Maria naar Bethlehem moesten reizen.

Tags:

Stuur naar Twitter