‹ Zonsverduistering (3)Spreuken 2:15 ›
Pasen: wereldse rechtbank, het verhoor
Gepubliceerd op 24-03-2006

Pilatus heeft het al vreemd gevonden, dat de Joden met een landgenoot voor zijn rechtbank kwamen. Of meer bevreemding wekt bij hem hun ijver voor het handhaven van het gezag van de keizer. De laatste beschuldiging, die van de Messias-koning, heeft de meeste indruk op hem gemaakt. We mogen aannemen dat deze verwachtingen van de Joden bij hem niet onbekend waren, en het is logisch dat hij juist op deze beschuldiging ingaat en de anderen laat rusten.

Pilatus vraagt aan de Jezus: "Zijt Gij de koning der Joden?" (Joh 18:33) Op deze vraag kon Jezus niet direct antwoorden, eerst moet worden vastgesteld wat Pilatus met dat koning der Joden bedoelt. De vraag heeft een tweeërlei betekenis"

  1. De betekenis die de Joden er aan hechtten: de bevrijder van de overheersers; een koning, die zich plaatst aan het hoofd van oproerlingen.
  2. De betekenis, waarin Jezus koning wil zijn: koning, niet over een aards rijk, maar over het Koninkrijk der Hemelen.
Welke van deze beide betekenissen heeft Pilatus op het oog? Pas wanneer dat duidelijk is, kan Jezus een antwoord geven. Daarom wordt de wedervraag gesteld: "Zegt gij dat van u zelf, of hebben het u anderen van Mij gezegd?" (Joh 18:34) Als het de "anderen" zijn, nl. de Joden, hebben zij dan hun aanklacht nader toegelicht, en zoja, dan is daarbij naar voren gekomen het koningschap in aardse zin. Als Pilatus van zichzelf spreekt, dan gaat hij ook op inlichtingen af. Inlichtingen, die hij zelf heeft ingewonnen door zijn spionnen. Wanneer zij de stadhouder hebben ingelicht kan hij weten, dat van een aards koningschap geen sprake is; dat Jezus dit juist heeft afgewezen. Anders had Pilatus al in kunnen grijpen, bij de intocht van Christus, toen het volk riep: "Hosanna, de Zoon van David, Hij is de koning van Israël".

Pilatus voelt zich geprikkeld door deze wedervraag. Een beklaagde heeft niet te vragen, hij heeft alleen te antwoorden. Zijn ontstemming blijkt uit zijn uitroep: "Ben ik een Jood? Uw volk en de Overpriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?" (Joh 18:35) Uit deze uitroep blijkt dat Pilatus toch een antwoord heeft gegeven, nl. dat uit de hoek van het volk en de Overpriesters de beschuldigingen komen. Op de vraag "Wat hebt U gedaan?" gaat Christus niet in, eerst wordt duidelijk gemaakt dat het bedoelde koninkrijk niet een aards koninkrijk is. (Joh 18:36; cf. Mat 26:52). Pilatus heeft de uiteenzetting van Christus gehoord, "niet van deze aarde", dus niet gevaarlijk voor de Romeinen. In principe is daarmee de beschuldiging vervallen en had hij Christus vrij uit kunnen laten gaan. Echter blijkbaar intrigeert deze zaak hem, vandaar zijn vraag: "Zijt Gij dan een koning?" (Joh 18:37).

Ik zal hierop een volgende keer dieper op ingaan.


Tags: Uncategorized

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs