‹ Potter's Hand zoekt sponsorsJezus liep op ijs ›
2 Samuel 21 in de NBV
Gepubliceerd op 03-04-2006

De Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV) is al weer geruime tijd in omloop. Daarnaast circuleerde al enige tijd een studiedocument van mij op internet rond met een vergelijking van de NBV en de grondtekst van 2 Samuel 21. Hieronder wordt het document nogmaals geplaatst, daar is gebleken dat verschillende wijzigingen door anderen zijn gemaakt waar ik zelf niet van op de hoogte was.

In de afgelopen maanden zijn er veel kritieken geweest of de NBV nu wel of niet een deugdelijke vertaling is, of dat het meer een parafraserende vertaling zou zijn. De enige methode om hier achter te komen, is een willekeurig hoofdstuk te nemen en deze aan de hand van de grondtekst te vergelijken. Als keuze is genomen 2 Samuel 21 daar ik toevallig net met een Bijbelstudie groep met dit hoofdstuk bezig ben.

Deze studie is gedaan op basis van het statement van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) dat "het een letterlijke vertaling" zou zijn, om die reden is dan ook gekeken hoe vertaald is en niet of het correct Nederlands is.

Bij de studie is op de 2 volgende punten gelet:

2 Samuel 21:
1 Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt door Saul en zijn moordenaarsbende huis van bloed, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.’ 2 Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tot hen: (De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen 3 en vroeg hun: ‘Wat kan ik doen om het onrecht goed te maken dat u is aangedaan, zodat de vloek die er wegens u op Gods eigen land rust ongedaan wordt gemaakt zegent?’ 4 De Gibeonieten antwoordden: ‘Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht zijn er niet op uit om iemand uit Israël te doden.’ De koning Hij zei: ‘Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan wilt u dat ik doen zal.’ 5 ‘De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!’ antwoordden ze. 6 ‘Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen zonen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.’ ‘Goed,’ Ik zal hen geven zei de koning. 7 Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. 8 Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab Michal had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. 9 Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. 10 Rispa, de bijvrouw van Saul, de dochter van Aja spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen en om overdag de aasvogels van de lijken te verjagen en ’s nachts de wilde dieren. 11 Toen David hoorde wat Rispa, de dochter van Aja, Sauls bijvrouw, had gedaan, 12 liet hij David het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden ze immers heimelijk de lijken geborgen van Saul en Jonatan gestolen, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. 13-14 Hij liet hun het gebeente van Saul en het gebeente van Jonathan zijn zoon overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lijken van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

15 Tijdens een van de Tijdens een veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. 16 Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een speer die wel driehonderd sjekel koper woog, dreigde dacht dat hij David zou kon doden. 17 Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.’ 18 Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. 19 Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Bet-Halachmi welke was met Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari-Oregim, uit Betlehem. De schacht van Goliats de speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 20 Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas lange man die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 21 Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 22 Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.


Nogmaals, met deze studie heb ik niet willen aangeven dat de vertalers van de NBV hun werk slecht hebben gedaan, maar heb gelet in hoeverre zij een letterlijk vertaling hebben gegeven vanuit de grondtekst bezien.


Tags: 2 Samuel, Bijbelvertalingen
Gerelateerde onderwerpen: Bijbelvertalingen

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

StudieboekenStudieboeken