G5610 ὥρα
uur
Taal: Grieks

Onderwerpen

Tijd,

Statistieken

Komt 107x voor in 13 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ó̱ra,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὥρα, -ας, ἡ, [in LXX chiefly for עֵת H6256 and in Da for שָׁעָה H8159 ;] 1. any time or period fixed by nature, esp. a season (Hom., Hdt., Plat., al.). 2. A part of the day, and esp. a twelfth part of day or night, an hour: Mt 24:36, Mk 13:32, Ac 10:3, al.; accus. in ans. to "when"? (M, Pr., 63, 215; Bl., § 34, 8), Jo 4:52, Ac 10:3, 30 I Co 15:30, Re 3:3; acc. of duration, Mt 20:12 26:40, Mk 14:37; inexactly, πρὸς ὥραν, for a season, for a time, Jo 5:35, II Co 7:8, Ga 2:5; πρὸς καιρὸν ὥρας, for a short season (ICC, in l.), I Th 2:17. 3. A definite point of time, time, hour: Mt 26:45; c. gen. rei, Lk 1:10 14:17, Re 3:10, al.; c. gen. pers., Lk 22:53, Jo 2:4 7:30, al.; ἡ ἄρτι ὥρα, I Co 4:11; ἐσχάτη ὥ., I Jo 2:18; seq. ὅτε, Jo 4:21, 23 5:25 16:25; ἵνα, Jo 12:23, al.; c. acc. et inf., Ro 13:11 (cf. DB, ext., 475b, 476b).

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἡμιώριον G2256 "uur (half)"; Grieks ὀπώρα G3703 "rijpe vruchten, hondsdagen"; Grieks ὡραῖος G5611 "";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel