G189 ἀκοή
gehoor (het), gehooroorgaan, oor
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 24x voor in 12 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ako'e, zn vr van ἀκούω G00191; TDNT - 1:221,34;


1) het gehoor, als zintuig 2) het gehoororgaan, het oor 3) het gehoorde 3a) instructie, namelijk mondeling 3a1) het prediken van het evangelie 3b) horen zeggen, bericht, gerucht


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἀκοή, -ῆς, ἡ (< ἀκούω), [in LXX: Ex 15:26, al. for שׁמע H8085, its parts and derivatives, exc. De 11:22 (שׁמר H8104);] 1. hearing, the sense of hearing: I Co 12:17, II Pe 2:8; "Hebraic dative," ἀκοῇ ακούειν (freq. in LXX; V. M, Pr., 14, 75), Mt 13:14, Ac 28:26. 2. organ of hearing, the ear (Arist., al.; MM, VGT, s.v.): II Ti 4:3, 4; pl., Mk 7:35, Lk 7:1, Ac 17:20, He 5:11. 3. a thing heard (a) a message, teaching: Jo 12:38 and Ro 16:16, 17(LXX), Ga 3:2, 5 R, mg.; λόγος ἀκοῆς, I Th 2:13, He 4:2; (b) a report, rumour: c. gen, pers., Mt 4:24, 14:1, 24:6; Mk 1:28 13:7 (Cremer, 82, 623; MM, VGT, s.v.).†

Bronnen


Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs