G3511 νεωκόρος
aanbidder, koster, tempelbewaarder
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 1x voor in 1 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

neo'koros, zn m van een vorm van ναός G03485 en koreo (vegen)


1) iemand die de tempel veegt en reinigt; 2) iemand die voor de tempel moet zorgen, in orde houden en versieren, "koster"; 3) de aanbidder van een godheid; 3a) het woord komt voor op munten die nog bewaard zijn, het was een eretitel (tempelbewaarder) van bepaalde steden, vooral in Klein-Azië, waarin een speciale eredienst van een godheid, of soms wel van een vergoddelijkte menselijke heerser was gevestigd; gebruikt van Efeze.


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

* νεω-κόρος, -ου, a temple-keeper; as honorary title given to a city (v. DB, i, 722 b): Ac 19:35.†

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

νεώκορ-ος, ὁ,
  Doric dialect νᾱοκόρος “GDI” 2116.14, al. (Delph., 2nd c.BC), 5th c.AD(?): Hesychius Legal icographus : contraction νᾱκόρος “PMagd.” 35.7 (3rd c.BC, probably Doric.), “GDI” 1912.9, al. (Delph., 2nd c.BC), 5087 (from Crete) : as feminine, “IG” 42(1).393, al. (Epid., 2nd c.AD) ; ναυκόρος, ἡ, Buresch Aus Lydien p.58: poetry νηοκόρος “Anthologia Graeca” 9.22 (Philippus Epigrammaticus) :—warden of a temple, as a sacred officer, τοῖς ἱεροῖς ν. γίγνεσθαι Plato Philosophus “Leges” 759a ; ἱερέας τε καὶ ν. prev. work 953a; παρὰ Μεγαβύξῳ τῷ τῆς Ἀρτέμιδος ν. Xenophon Historicus “Anabasis” 5.3.6, compare “Inscription Prien.” 231 (4th c.BC) ; βωμοῖο ν. “Anthologia Graeca” 11.324 (Automedon Epigrammaticus); ν. τοῦ μεγάλου Σαράπιδος “POxy.” 100.2 (2nd c.AD).
__2 sacristan, Herodas Mimographus 4.41, 45, Pausanias Periegeta 10.12.5 ; ἐνβόλιον ἔχων ν. in a list of silver articles, “IG” 7.3498.25 (from Oropus).
__II title assumed by Asiatic cities in Imperial times, when they had built a temple in honour of their patron-god or the Emperor, as Ephesus, ν. Ἀρτέμιδος NT.Act.19.35 ; also as adjective, τῷ ν. Ἐφεσίων δήμῳ “OGI” 481.3 (2nd c.AD),compare “BMus.Inscription” 481*.4 (Ephesus, 2nd c.AD) ; δὶς ν. τῶν Σεβαστῶν, of Ephesus, “OGI” 496.7 (2nd c.AD) ; of Smyrna, “IGRom.” 4.1419. (Prob. derived from κορέω, sweep, the originally sense being probably temple-sweeper, compare Euripides Tragicus “Ion” 115, 121, 795 (where the word does not occur), νεωκορέω 1.2, 11, Philo Judaeus 2.236, 5th c.AD(?): Hesychius Legal icographus; but 1Suidas Legal icographus explanation it ὁ τὸν νεὼν κοσμῶν.., ἀλλ᾽ οὐχ ὁ σαίρων.)

Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ναός G3485 "tempel, schrijn";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

KlussenKlussen