G3816 παῖς
kind, jongen, meisje, knecht, slaaf
Taal: Grieks

Onderwerpen

Kinderen,

Statistieken

Komt 24x voor in 4 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

país̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

παῖς, gen., παιδός, ὁ, ἡ, [in LXX chiefly for עֶבֶד H5650, also for נַעַר H5288, נַעֲרָה H5291, etc.;] 1. a child, boy, youth, maiden: ὁ π., Mt 17:18, Lk 2:43 9:42, Ac 20:12; ἡ π. Lk 8:51, 54 (on the artic. nom, of address, v. M, Pr., 70 f., 235; Bl., § 33, 4); pl., Mt 2:16 21:15; of parentage, c. gen., Jo 4:51. 2. Like Heb. עֶבֶד H5650, Lat. puer, Fr. garçon, Eng. boy (Æsch., Aristoph., Xen., al.), servant, slave, attendant: Mt 8:6, 8, 13, Lk 7:7 12:45 15:26; in late writers (Diod., LXX: Ge 41:37, al.), of a king's attendant or minister: Mt 14:2; so (= Heb. עֶבֶד H5650 יְהֹוָה H3068) π. τ. θεοῦ (Ps 66 (69):18, Is 41:8, Wi 2:13, al.), of Israel, Lk 1:54; of David, Lk 1:69, Ac 4:25; of Jesus (but v. Dalman, Words, 277 f.), Mt 12:18(LXX), Ac 3:13, 26 4:27, 30.†

SYN.: 1. τέκνον G5043, child, with emphasis on parentage and the consequent community of nature; υἱός G5207, son, with emphasis on the privileged position of heirship; π. refers both to age and parentage, but with emphasis on the former. Cf. also παιδάριον G3808, παιδίον G3813, παιδίσκη G3814, and v. Westc. on I Jn 3:1. 2. v.s. θεράπων G2324, and cf. Thackeray, Gr., 7 f.


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks παιδαγωγός G3807 "goeverneur"; Grieks παιδάριον G3808 "jongetje"; Grieks παιδεύω G3811 "kinderen opvoeden, opleiden, trainen"; Grieks παιδίον G3813 "jong kind, jongetje, meisje, zuigeling"; Grieks παιδίσκη G3814 "meisje (jong), slavin (jonge), dienstbode"; Grieks παίζω G3815 "spelen, liefdesspelen, grappen maken, dansen, musiceren, jagen"; Grieks παίω G3817 "slaan, beuken, steken";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker