G3958 πάσχω
lijden, doorstaan
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 42x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

pascho̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πάσχω, [in LXX: Am 6:6 (חלה H2470 ni.), Wi 12:27, Si 38:16, al.;] to suffer, be acted on (a) of misfortunes (most freq. without any limiting word): absol., Lk 22:15 24:46, Ac 1:3 3:18 17:3, I Co 12:26, He 2:18 9:26 13:12, I Pe 2:19, 20, 23 3:17 4:15, 19; seq. ὑπό, c. gen., Mt 17:12; ὑπέρ, Ac 9:16, Phl 1:20, II Th 1:5, I Pe 2:21; c. dat. ref., I Pe 4:1; περί, c. gen. (seq. ὑπέρ), I Pe 3:18; διά, c. acc., I Pe 3:14; ὀλίγον (a little while), I Pe 5:10; c. acc., Mt 27:19, Mk 9:12, Lk 13:2 24:26, Ac 28:5, II Ti 1:12, He 5:8, Re 2:10; παθήματα, II Co 1:6; ταῦτα, Ga 3:4 (EV; cf. Lft., in l., but v. infr.); acc. seq. ἀπό, Mt 16:21, Lk 9:22 17:25; ὑπό, Mk 5:26, I Th 2:14; (b) of pleasant experiences (but always with qualifying word, εὖ or acc. rei) : Ga 3:4 (cf. Grimm-Thayer, s.v.; Interp. Com., in l., but v. supr.) (cf. προ-, συν-πάσχω).†

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ὁμοιοπαθής G3663 "hetzelfde lijden als een ander"; Grieks πάθος G3806 "aandoening, lijden, leed, smart"; Grieks πένθος G3997 "rouw, droefheid"; Grieks πεποίθησις G4006 "vertrouwen, gerustheid, verwachting"; Grieks προπάσχω G4310 "vooruit lijden, vooruit ondervinden"; Grieks συμπάσχω G4841 "lijden of pijn voelen samen met iemand";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs