G4127 πληγή
slag, houw, wond, striem, algemene ramp, ongeluk, plaag
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 22x voor in 4 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

pli̱gē,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

πληγή, ῆς, ἡ (< πλήσσω), [in LXX chiefly for מַכָּה H4347, also for מַגֶּפָה H4046 etc.;] 1. a blow, stripe, wound: pl., Lk 10:30 12:48, Ac 16:23, 33, II Co 6:5 11:23; ἡ π. τ. θανάτου (RV, death-stroke), Re 13:3, 12; τ. μαχαίρας, Re 13:14. 2. Metaph., a calamity, plague: Re 9:18, 20 11:6 15:1, 6, 8 16:9, 21 18:4, 8 21:9 22:18.†

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks πλήσσω G4141 "slaan, treffen";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker