G5076_τετράρχης
tetrarch, bestuurder
Taal: Grieks

Onderwerpen

Ambtenaar, Heerser, Stadhouder, Tetrarch,

Statistieken

Komt 4x voor in 3 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

tetr'arches, zn m van τεσσαρες G05064 en αρχω G00757;


1) een tetrarch 1a) bestuurder van het vierde deel van een gebied. Zo zegt Strabo dat Galatië vroeger in drie delen was verdeeld, elk daarvan weer in vier kleinere delen, en dat elk daarvan werd bestuurd door een tetrarch. Strabo vertelt dat Thessalië, voor de tijd van Filippus van Macedonië in vier tetrarchen was verdeeld, elk met zijn eigen tetrarch. 1b) de bestuurder van een derde deel of de helft van een land, of zelfs de bestuurder van een heel land, mits het betrekkelijk klein was; een vorstje. Zo maakte Antonius Herodus (later koning) en Fasaël, zonen van Antipater, tetrarchen van het land Israël. Na de dood van Herodes de Grote werd Achelaüs, zoon van Herodus, ethnarch genoemd, maar Antipas en Philippus verdeelden en regeerden met de titel tetrarch het koninkrijk dat hun vader nagelaten had.


Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

τετραάρχης (Rec. τετράρχης, v. supr.), -ου, ὁ (< τετρα- in comp. = τέτορα, Doric for τέσσαρα, + ἄρχω), a tetrarch, i.e. (a) prop., the governor of a fourth part of a region (Strab.); (b) any petty ruler (Plut.); in NT, of Herod Antipas: Mt 14:1, Lk 3:19 9:7, Ac 13:1.†

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

τετράρχ-ης, ου, ὁ,
  tetrarch, 1st cStrabo Geographus 12.5.1, Plutarchus Biographus et Philosophus “Antonius” 56, “OGI” 416 (Cos, i. Apollonius Dyscolus Grammaticus), 543.3 (Ancyra, 2nd c.AD) , etc.; of rulers under the protection of Rome of lower grade than kings, e.g. in Palestine, NT.Matt.14.1, al., Josephus Historicus “Bellum Judaicum” 1.12.5, al.; generally, Sall. “Cat.” 20.7, Hor. “Sat.” 1.3.12, etc.: also τέτραρχος, Θεσσαλῶν “SIG” 274 (Delph., 4th c.BC): genitive -χου “OGI” 606.4 (Syria, 1st c.AD), but -χα “IGRom.” 4.1683 (Pergam.): compare τετραρχία.
__II a leader of four λόχοι, or 64 men, “Rev.Arch.” 3 (1934).40 (Amphipolis, 3rd-2nd c.BC), 6(1935).31 ( prev. passage, 2nd c.BC), Asclepiodotus Tacticus “Tact.” 2.8, Arrianus Historicus “Tactica” 10.1, Aelianus “Tactica - Griechische Kriegsschriftsteller” 9.2.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἄρχω G757 "voornaamste, leiden, besturen"; Grieks τέσσαρες G5064 "vier"; Grieks τετραρχέω G5075 "tetrarch";

Mede mogelijk dankzij

Hadderech