Een tand (Hebreeuws שֵׁן H8127; Grieks ὀδούς G3599) is een harde, witte structuur in de mond, een onderdeel van het gebit.
In Prediker 12:3 worden de tanden van een oud iemand vergeleken met "de maalsters zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn".
In Hooglied 4:2 worden ze vergeleken met witte schapen die net gewassen zijn, want in het oude Midden-Oosten was het de gewoonte om schapen eerst te wassen voor ze geschoren werden. We moeten dit gedeelte dan ook opvatten dat de tanden zo blinkend wit zijn als "pas gewassen schapen".
Aangemaakt 9 januari 2008, laatst gewijzigd 27 november 2024
|