Articles by admin

You are currently browsing admin’s articles.

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

HET MECHANISME VOOR BIOLOGISCHE EVOLUTIE

Biologische evolutie, als de geleidelijke ontwikkeling van lagere tot hogere levensvormen, vergt een mechanisme dat de genetische informatie in het DNA zodanig positief verandert, dat bij de voortplanting zo’n hoger ontwikkeld organisme gevormd kan worden. Het begrip evolutie is met name geformuleerd en uitgewerkt door Charles Darwin (1809-1882) in zijn boek On the Origin of Species (1859). Het is gebaseerd op zijn uitvoerige en nauwkeurige waarnemingen tijdens een reis rond de wereld met het schip The Beagle. Hij beschrijft o.a. dat hij in 1835 op de zeer uiteenlopende eilanden van de Galapagos archipel in de Grote Oceaan verschillende soorten vinken aantrof die nauw verwant blijken. Ze hebben bijv. dezelfde nestbouw en eieren, maar verschillend gevormde snavels. Op het ene eiland komen diksnavelige vinken voor, die harde zaden kunnen kraken (Geospiza magnirostris), op een ander vinken die met spitse snaveltjes insecten uit spleten kunnen peuteren (G. difficilis); op weer een ander eiland leeft G. conirostris, die met zijn lange snavel diep in grote cactusbloemen kan reiken. Ook aan verschillen tussen bijv. de diverse spotvogels en reuzenschildpadden kon Darwin herkennen van welk eiland ze afkomstig waren. Hun aanpassingen aan de locale condities deden hem denken aan de verbeteringen door selectie, waarmee in de landbouw gewassen en dieren worden veredeld. Daar worden, na kruising van individuen binnen een populatie, de nakomelingen met de meest gewenste eigenschappen geselecteerd om verder mee te fokken. Zo’n teeltkeus, of selectie, leidt bijv. tot graan met veel en grote korrels, of tot honden gespecialiseerd in vee hoeden of in jacht, in bewaking of als huisgenoot. In vergelijking daarmee zag Darwin de soortvorming in de natuur als het resultaat van een natuurlijke selectie. Bij voorbeeld, uit een oorspronkelijke vinkenpopulatie zouden door hun geografische isolatie op de verschillende Galapagos-eilanden vinken zijn geselecteerd met verschillend gevormde snavels, al naar de lokaal voorhanden voedselbron. Die vinken, die het beste aan hun voedselbron zijn aangepast, zullen een voordeel hebben bij de voortplanting, de minder goed aangepasten zullen worden weggeselecteerd: de struggle for life, die leidt tot de survival of the fittest. Omdat de vinken van de verschillende resulterende populaties door hun isolatie niet meer met elkaar kunnen kruisen, heeft deze natuurlijke selectie geleid tot aparte, nieuwe soorten binnen het geslacht Geospiza. Darwin stelde op grond van deze en dergelijke waarnemingen, dat soorten dus niet onveranderlijk zijn, maar uit elkaar kunnen ontstaan door voortgaande selectie. Op die manier zou uit één primitief oerleven, ooit toevallig ontstaan, door voortdurend opvolgende variaties en adaptaties de gehele stamboom van het leven in de loop van de geschiedenis van de aarde kunnen zijn geëvolueerd. Hiermee verliet Darwin de idee van een aanvankelijke schepping van vele, onveranderlijke soorten, zoals men die tot dan toe uit Genesis 1 had begrepen.

Darwin kon van genetica evenmin iets weten als van biochemie of van informatica, deze wetenschappen kwamen pas in de 20e eeuw tot ontwikkeling. In zijn tijd was de algemene opvatting, dat bij het leven verkregen aanpassingen erfelijk waren. Steeds verdergaande erfelijke aanpassing zou dan geleidelijk tot soortsverandering kunnen leiden. Maar blanken blijven in de tropen generatie op generatie blanke kinderen krijgen: aanpassing aan het milieu is niet erfelijk, wij weten nu dat erfelijkheid berust op het DNA in de geslachtscellen. Bijv. zo’n oorspronkelijke vinkenpopulatie moet een rijkdom aan DNA, aan genetische informatie hebben gehad, waarvan in de loop van de selectieprocedures delen zijn weggeselecteerd, zodat alleen de informatie voor de best aangepasten overbleef. Zowel voor de landbouwkundige als voor de natuurlijke selectie geldt onveranderlijk: selectie houdt noodzakelijkerwijs genetische verarming in door de selectieve verwijdering van DNA. Voor evolutie in darwinistische zin, van lager naar hoger ontwikkeld, zou dus nieuwe genetische informatie moeten kunnen ontstaan in de vorm van nieuw DNA.

Omstreeks het begin van de 20e eeuw werd de moderne erfelijkheidsleer, de genetica, ontwikkeld. Het begrip ‘gen’ werd mede gevormd door Hugo de Vries (1848-1935). Hij was ook de ontdekker van zo’n mogelijke vorming van nieuw DNA, namelijk door mutatie. Genen, de dragers van de erfelijke informatie, vertonen soms kleine verschillen, die tot een verschillende mate van werking leiden; zulke varianten van een gen worden allelen genoemd (de verschillen in de snavels van de Galapagos-vinken berusten op zulke allelen). Ook een mutatie wordt opgevat als een allel van het gemuteerde gen.

Een mutatie is een toevallig geachte, dus ongerichte verandering in het gen. Zo’n verandering kan spontaan optreden, maar ook in proeven worden opgewekt, door straling of chemicaliën. Deze kunstmatige opwekking van mutaties heeft uiteraard tot veel onderzoek aanleiding gegeven. In de hele vorige eeuw zijn vele mutaties opgewekt en onderzocht bij bacteriën en bij lagere en hogere planten en dieren.

Bacteriën worden gerekend tot de Prokaryoten: zij hebben geen celkern. Het DNA, dat uit twee, in bouw complementaire chromatinestrengen bestaat die om elkaar heen spiraliseren tot de bekende ‘dubbele helix’, ligt bij bacteriën vrij in het protoplasma. Bacteriecellen kunnen door plasmaverbindingen met elkaar conjugeren, waarbij delen van het chromatine van de ene cel naar de andere kunnen overgaan. Deze DNA-overdracht door conjugatie kan eventuele mutaties verspreiden door een bacteriepopulatie; de hoge celdelingssnelheid van bacteriën, soms tot drie maal per uur, draagt aan die verspreiding bij. Anderzijds kunnen mutaties ook worden gerepareerd door enzymen, die gemuteerde delen van de ene chromatinestreng met die van de complementaire streng vergelijken en terugveranderen, maar het vrij in het plasma liggende DNA met makkelijke uitwisseling maakt een grote mate van genetische variabiliteit bij Prokaryoten mogelijk. Zo kunnen bijv. uit zeewater eindeloos vele DNA-varianten worden geïsoleerd.

Eukaryoten daarentegen, waartoe behalve eencellige algen en gisten ook alle meercellige lagere en hogere planten en dieren behoren, hebben dubbele helices die, in speciaal eiwit verpakt, liggen in een apart celorganel, de celkern. Voorafgaand aan de celdeling trekken de chromatinedraden samen tot de chromosomen, waarvan elke lichaamscel, de zgn. somatische cel, twee gepaarde sets bevat, één van elke ouder. Bij de paring van de overeenkomstige chromosomen van elke set kan door ‘crossing-over’ uitwisseling van DNA optreden. Deze uitwisseling tussen gepaarde chromosomen is een vorm van recombinatie van genetisch materiaal. Recombinatie leidt wel tot een grotere mate van variabiliteit bij de selectie maar voegt uiteraard geen nieuwe genetische informatie aan de reeds bestaande toe. Eventueel opgetreden mutaties kunnen ook in dit stadium nog worden gerepareerd.

In tegenstelling tot bacteriën bevatten eukaryotische chromosomen meestal veel DNA dat niet via RNA voor eiwitten codeert. Dit DNA werd tot voor kort beschouwd als overtollig afval, ‘junk’. Echter, delen van dit ‘junk-DNA’ blijken belangrijke functies te regelen, bijv. bij de structuur en deling van chromosomen, maar ook bij de activiteit van de genen. Zulk DNA werkt daarbij als schakelaars die mede bepalen of genen al dan niet actief zijn en, zo ja, hoe sterk en hoe lang. Dat is niet alleen van groot belang voor verschillen in celfunctie in verschillende organen, bijv. in de lever of in de hersenen, maar ook voor verschillen tussen individuen en, vooral, tussen soorten. Zo bestaat het menselijk DNA slechts voor 2 % uit voor m-RNA coderende genen, 98% is ‘junk’. Een groot deel van zijn ongeveer 25.000 genen heeft de mens gemeenschappelijk met een worm of een zeeëgel, zodat de sturende en regulerende invloed van zulk ‘junk-DNA’ op de genactiviteit waarschijnlijk heel belangrijk is. Die invloed gaat zelfs verder dan op het gen-DNA alleen. Er blijken namelijk zeer veel meer eiwitten te zijn dan genen, bij de mens vele tienduizenden. Eén gen moet dus voor tal van eiwitten kunnen coderen. De éne messenger-RNA, die oorspronkelijk uit een gen gevormd kan worden, blijkt daartoe op verschillende wijzen gemodificeerd te worden, bijv. stukken kunnen worden afgekapt, uitgeknipt of verwisseld. Zo ontstaan vanuit één gen meerdere secundaire m-RNA’s, die elk voor een specifiek eiwit coderen. Ook deze regulatie op messenger-niveau, die mede orgaanspecifiek kan zijn en dus in verschillende organen tot verschillende enzymactiviteiten kan leiden, wordt waarschijnlijk door ‘junk-DNA’ bepaald. De regulerende werking van bepaalde kleine RNA-moleculen, het zgn. ‘micro-RNA’, kan ook hiermee samenhangen. Het ophelderen van de functies van al dat DNA en RNA zal ongetwijfeld nog veel verrassingen opleveren voor een goed begrip van de genetische bepaling van de vorm en functie van het levende organisme. Daarnaast leidt deze recent ontdekte verfijning van de regulatie van de genetische informatie, tot op het niveau van de messengers, tot de vraag of een dergelijk complex systeem van differentiatie het resultaat kan zijn van een toevallig proces van ‘trial and error’ of eerder van intelligent ontwerp.

Aan de somatische celdeling, de mitose, gaat verdubbeling van de chromosomen vooraf, zodat de dochtercellen opnieuw de volledige genetische sets van beide ouders bevatten. Maar bij de meiose gaan de gepaarde chromosomen zonder verdubbeling uit elkaar, elk naar één kant, zodat de hierbij gevormde geslachtscellen elk slechts één set bevatten. Als in zo’n set een mutatie voorkomt en die geslachtscel paart met een partner met precies dezelfde mutatie, dan kan die mutatie zichtbaar worden in de nakomelingschap. Dat is bijv. het geval bij de zelfbestuiving van planten. Er zijn dan dus evenveel gemuteerde geslachtscellen, M, als ongemuteerde, O, en de nakomelingschap bestaat dan in principe uit gelijke hoeveelheden individuen OO, OM, MO en MM. Aan driekwart van hen is meestal niets te zien omdat ze O bevatten die de mutatie vaak kan verhullen; maar MM is een zuivere, zgn. ‘homozygote’ mutant.

Of je aan MM de mutatie dan inderdaad kunt waarnemen is overigens nog maar de vraag. Verandering in het DNA is een verandering in de genetische informatie. Wij, levend in het tijdperk van de informatica, weten dat een informatieverandering meestal leidt tot verstoring, denk maar aan je computer. – Overigens, we weten ook dat nieuwe informatie nooit spontaan ontstaat, uit non-informatie, maar bewust en doelmatig moet worden geprogrammeerd; hoe zou dat zijn bij de genetische informatie?! – Welnu, mutatie, als toevallige verandering in het DNA, kan leiden tot een verstoring van de eiwitvorming. Als het betrokken eiwit essentieel is voor de functie van de cel of van het organisme, kan de ontwikkeling daarvan verstoord worden. Dikwijls is een mutatie dan ook lethaal, dwz. de bevruchte eicel of het zich ontwikkelende embryo sterft en de mutatie blijft onopgemerkt. Maar een betrekkelijk onschuldige mutatie, zoals één die leidt tot verlies van kleurstofvorming, kan vitale nakomelingen opleveren met, in dit geval, bij voorbeeld witgekleurde vacht of bloemen.

Evolutionisten stellen nu dat soms winstmutaties kunnen optreden, toevallige genetische veranderingen waarbij nieuw DNA tot nieuwe genetische informatie leidt. Tal van zulke, op zich ongerichte, winstmutaties zouden dan, via vele kleine veranderingen, geleidelijk kunnen leiden tot nieuwe soorten en zo zou de stamboom ‘van amoebe tot mens’ tot stand moeten zijn gekomen. De gehele 20e eeuw is dan ook intensief onderzoek verricht, zowel aan micro-organismen als aan lagere en hogere planten en dieren, om zulke winstmutaties op te sporen. Nu, in de 21e eeuw, moet worden vastgesteld dat dit onderzoek zeer teleurstellend is geweest. Bacteriën blijken soms kunststoffen, zoals nylon, te kunnen omzetten; de enzymen daartoe zijn waarschijnlijk door nieuwe allelen gevormd, zodat dan van winstmutatie sprake kan zijn, wat dan op het niveau van DNA zou moeten worden bewezen. Dat is de enige aanwijzing van evolutie door winstmutatie, een schrale oogst bij zo veel onderzoek aan deze organismen, die toch betrekkelijk labiele chromosomen hebben en die, dank zij hun snelle vermeerdering, in korte tijd honderden generaties opleveren. Naar mijn weten is bij Eukaryoten nooit een winstmutatie, in de vorm van toegenomen genetische informatie in het DNA, met zekerheid aangetoond.

Het is bekend dat bij ziekteverwekkende virussen, bacteriën, schimmels of insecten, resistentie kan optreden tegen bestrijdingsmiddelen, zoals tegen medicijnen of tegen landbouwchemicaliën. Omdat deze ziekteverwekkers daar baat bij hebben, is wel ondersteld dat het optreden van resistentie zou berusten op winstmutaties. Maar bestrijdingsmiddelen moeten een aangrijpingspunt vinden bij zulke ziekteverwekkers. Als dat aangrijpingspunt door een verliesmutatie bij de ziekteverwekker wegvalt, kan deze aan het bestrijdingsmiddel ontsnappen. Op een dergelijke wijze kan bij het te beschermen individu ook resistentie optreden tegen de ziekteverwekker. Er zijn bijv. mensen, die resistent zijn voor HIV. Dit virus heeft een bepaald membraaneiwit aan de buitenkant van de menselijke cel nodig om de cel binnen te dringen, waarna het in die cel kan worden vermeerderd. Door verliesmutatie kan deze invalspoort verloren zijn gegaan en dat heeft dan resistentie tegen aids tot gevolg. Resistentie kan dus op zich positief zijn voor het betreffende organisme, maar als zij berust op verliesmutatie dan is zij voor de totale hoeveelheid genetische informatie van dat organisme toch negatief.

HIV leert ons nog iets anders. Het genoom van dit virus bestaat uit twee enkele strengen RNA en is erg gevoelig voor mutatie, ook omdat het snel en onnauwkeurig vermeerderd wordt. Behandeling met medicijn tegen HIV kan daarom na verloop van tijd gaan falen, omdat het virus resistent wordt. Toediening van een ander medicijn kan dan voorlopig uitkomst geven, totdat ook daar resistentie tegen optreedt. Wat dan te doen? De oplossing blijkt, een tijd lang in het geheel geen geneesmiddelen meer toe te dienen, na een poos verdwijnt de resistentie dan vanzelf. Hoe komt dat? Van het oorspronkelijke, voor de medicatie gevoelige virus was altijd nog iets aanwezig, maar door de grote hoeveelheden van de mutanten was dat tijdens de medicatie niet merkbaar. Na weglaten van de medicijnen kan het oorspronkelijke virus zich weer vermeerderen en blijkt het glansrijk de surviving fittest te zijn in de struggle for life met zijn mutanten.

Dit is een voorbeeld van de meestal door mutatie optredende verzwakking. Verminderde vitaliteit van een mutant uit zich vooral ook in hogere organismen. Bij een hoger dier, bij voorbeeld, zijn de functie en grootte van de organen: hart en bloedvaten, zenuwstelsel, botten en spieren, enz., zo precies op elkaar afgestemd, dat elke genetische verandering tot verzwakkende onnauwkeurigheden kan leiden. In de struggle for life zullen mutanten dan ook in de regel weggeselecteerd worden en niet kunnen deelnemen aan de voortplanting, die het veranderde organisme had moeten opleveren.

Geconcludeerd moet worden dat het ons bekende mechanisme voor evolutie: natuurlijke selectie van recombinatie en mutatie, voor dat doel averechts werkt. Het leidt immers als regel tot vermindering van de genetische informatie, terwijl de ontwikkeling van de hogere levensvormen uit de lagere juist een gigantische toename van die informatie zou vergen. Hetzelfde geldt in principe ook voor chromosomale wijzigingen als verdubbelingen, omkeringen, effecten van transposons (verspringende genen) e.d.; daarbij kan de hoeveelheid DNA eventueel veranderen, maar er wordt in principe weinig nieuws aan genetische informatie toegevoegd. De consequentie is dat evolutie, in de darwinistische betekenis van ongericht toevallig van lager tot hoger ontwikkeld,, een onhoudbare hypothese is. Tenzij de oorspronkelijke oercel de complete genetische informatie van de gehele levende natuur zou hebben bevat. En dat gelooft zelfs de meest orthodoxe evolutionist niet.

Sommige evolutionisten grijpen, als laatste redmiddel om toch nog nieuwe informatie bij toeval aan het genoom toegevoegd te krijgen, naar het retrovirus. Van dit type virus, waartoe ook HIV behoort, wordt bij infectie het RNA afgelezen en vertaald in DNA dat zich in het chromatine van de gastheercel nestelt en dan mede bij de eiwitsynthese tot uiting komt. De suggestie is dat langs deze weg virusinformatie tot de evolutie zou kunnen bijdragen. Zelfs is gespeculeerd, dat infectie met retrovirus eierleggende reptielen heeft kunnen doen evolueren tot levendbarende zoogdieren. Denk je eens in wat dat aan tegelijkertijd anatomische en fysiologische veranderingen met zich mee zou brengen! Je moet toch wel een erg sterk geloof in toevallige evolutie hebben om dat op deze wijze overeind te willen houden. Dat geldt ook voor het onwaarschijnlijke geval dat DNA van een infectieuze bacterie in het DNA van een eukaryote geslachtscel terecht zou komen.

De enige realistische conclusie is dat de biologische wetenschap geen mechanisme kent, waardoor het leven zich in zijn huidige overweldigende genetische rijkdom uit één primitief oerleven zou hebben kunnen ontwikkelen. Het is onbekend hoe een blinde evolutie van een stamboom van het leven zou kunnen hebben plaatsgehad. Juist die buitengewone soortenrijkdom in de natuur, of je nu slootwater microscopisch onderzoekt of in oerwoud rond struint, heeft moderne biologen tot nog een andere kritiek op de evolutietheorie geleid. De uitbundige veelheid aan soorten gaat de aantallen mogelijke omstandigheden, waaraan die soorten zich via de struggle for life zouden hebben moeten aanpassen, verre te boven. Soortsvorming door concurrentie om geschikte plekjes, om niches, is volstrekt ontoereikend om deze overweldigende rijkdom aan levensvormen in de natuur te verklaren, daar moet een geheel andere factor aan ten grondslag liggen; ook daar kom ik op terug.

De paleontologie, die in gesteenten de fossielen, dat zijn de versteende overblijfselen van vroeger leven, bestudeert, laat ook amper de geleidelijke overgangen van de ene levensvorm in de andere zien, zoals door vele kleine mutatiestapjes zou moeten blijken, bijv. van vissen in amfibieën, of van reptielschubben in vogelveren of in zoogdierharen. Als er evolutie in vele kleine stapjes zou bestaan, dan zouden zulke overgangsstadia juist heel talrijk in fossiele vorm moeten voorkomen, maar doorgaans is vergeefs gezocht naar deze ‘ontbrekende schakels’. Een redacteur van het gezaghebbende tijdschrift Nature heeft onlangs opgemerkt: ‘Deze missing links bestaan alleen in de menselijke geest.’ Darwin schreef al:
De geologie onthult niets van een geleidelijke organische keten, wellicht het grootste bezwaar dat tegen de theorie kan worden ingebracht. (Origin of Species, p.293).

De ontwikkeling van het leven uit één enkele oercel zou een stamboom moeten opleveren met één enkele stam, die zich in de loop der tijd steeds meer vertakt: monofylie. Uit het paleontologisch onderzoek blijkt echter dat in de oudste aardlagen waarin fossielen voorkomen, het Cambrium, direct al een grote verscheidenheid aan levensvormen optreedt. Deze ‘Cambrische explosie’, ook wel ‘Darwin’s dilemma’ genoemd, duidt eerder op een polyfyletisch ontstaan van het leven, waarbij die levensvormen onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan, dan op een monofyletische darwinistische stamboom waarbij dan het eerste deel van de evolutie, de éne boomstam zelf, zou ontbreken; en wat is een stamboom zonder boomstam?

De stamboom vertoont nog een merkwaardigheid. Een fossiele levensvorm kan in vele opeenvolgende aardlagen onveranderd blijven en dan opeens afgewisseld worden door een in meerdere opzichten veranderd verwant organisme, dat dan zelf ook weer in tal van aardlagen constant blijft. Die afwisseling is plotseling, zonder dat tussenvormen, overgangsstadia optreden. Maar vele andere soorten blijven van hun eerste optreden af tot op de huidige dag onveranderd; zo’n ‘levend fossiel’ is bijv. de Molukkenkreeft (Limulus). Het is volstrekt onduidelijk waarop, bij toevallige evolutie, zulke verschillen in aantal, tempo en frequentie van veranderingen zouden moeten berusten.

Op zich is een fylogenetische stamboom wel bruikbaar om verwantschap in vorm te beschrijven, onafhankelijk van letterlijke afstamming. De vormverwantschap is een afgeleide van overeenkomsten in het DNA. De moderne analyse van DNA van plant en dier heeft dan ook dikwijls geleid tot nadere differentiatie van de stamboom, hoewel ook opzienbarende verschillen tussen morfologische en genetische verwantschappen aan het licht zijn gekomen. Zo blijkt het DNA van een mol nauw verwant te zijn aan dat van een olifant, terwijl het DNA van een vliegende hond meer lijkt op dat van een aap dan op dat van een, toch verwante, vleermuis.

In samenwerking met RH3MA presenteren we 50 leuke vragen voor kids, beginners en voor jou! Kun jij de 50 vragen binnen 48 uur(!) correct beantwoorden?

Tags: ,

Met grote verslagenheid geven wij u kennis van het plotselinge overlijden van professor dr. Bruinsma in de nacht van Oud en Nieuw. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

Ter herinnering aan hem zullen we de komende dagen een reeks artikelen van zijn hand plaatsen.

Schepping En Evolutie In De Levende Natuur

Hoe ben je ontstaan en waarom leef je? Is het bij toeval, dus zinloos, dat je uniek DNA hebt dat je onderscheidt van al je medemensen? Of heeft jouw eigen uniekheid een bedoeling, zodat je leven een specifiek doel en dus zin heeft? Dat is jouw persoonlijke belang bij de algemene vraag, of de wereld en het leven zijn ontstaan en zich afspelen door een evolutie, die louter het gevolg is van toeval en de bestaande natuurwetten, of door de wil van een Intelligentie, die de door hem ontworpen natuurwetten gebruikt om zijn doel met de wereld en het leven – ook met jouw leven – te verwerkelijken. Deze beschouwing heeft ook een doel: je keuze uit deze beide mogelijkheden op grond van vooral natuurwetenschappelijke argumenten te helpen bepalen. Durf je de uitdaging aan die argumenten eerlijk af te wegen?

Voor alle duidelijkheid vooraf: het al dan niet bestaan van God is niet wetenschappelijk te bewijzen, dat is meer een kwestie van het hart dan van het hoofd. Maar de moderne natuurwetenschappen geven wel veel aanwijzingen, waarmee het hoofd de overwegingen van het hart kan versterken en bemoedigen.

Wat in elk geval niet toevallig is, is dat de natuurwetenschappen zich juist in de Europese cultuur hebben ontwikkeld. Elders geloofde men meestal in een veelheid van goden, die elk hun eigen gang gaan, dikwijls met veel onderlinge strijd, wanorde en willekeur, zoals in de mensenwereld. Maar de ene God van joden en christenen stelt orde en geeft regels, zodat ook de door Hem geschapen natuur niet wanordelijk kan zijn, maar moet gehoorzamen aan wetmatigheden, die door onderzoek naar oorzaak en gevolg kunnen worden opgespoord. Vanuit deze overtuiging van de causaliteit in de natuur hebben de natuurwetenschappen zich kunnen ontwikkelen, ook als grondslag voor technische toepassingen, veelal tot heil van de mensheid. Sinds de Verlichting, de filosofische stroming in de 18e eeuw die aan de menselijke rede een overheersende plaats gaf, heeft de wetenschap zich geleidelijk losgemaakt van de religieuze overtuigingen die haar ontwikkeling mogelijk maakten. Toch is er op zich geen conflict tussen wetenschap en geloof, beide spelen zich af op verschillende gebieden waartussen raakvlakken zijn. De werkelijkheid is nu eenmaal niet louter stoffelijk van aard, maar heeft ook geestelijke aspecten. Hoewel je zaken als liefde, schoonheid en geluk niet met wetenschappelijke apparatuur kunt meten, kun je ze wel degelijk als werkelijkheden ervaren. Als je dat buitensluit en je beperkt tot wat je natuurwetenschappelijk meten kunt, loop je het gevaar te vervallen in verabsolutering van het materiële en daarmee in een atheïstisch geloof.

Je diepste overtuiging kan religieus of materialistisch zijn, maar de wetenschap moet haar vraagstelling reduceren tot hapklare brokjes voor haar causale onderzoek. Dat levert feitelijke onderzoeksresultaten op, die uiteindelijk naar de totale werkelijkheid toe geïnterpreteerd moeten worden. En juist bij die interpretatie gaat de onderliggende overtuiging een rol spelen. Van het materialisme uit wordt dan alles aan het toeval toegeschreven, maar van de oudheid af is ook al van een goddelijke hand in de natuur uitgegaan, ‘die de kosmos coördineert en samenhoudt…en toch zelf onzichtbaar is’, zoals Socrates volgens Xenophon gezegd heeft. Dat gaat dus veel dieper en verder dan een ‘god van de gaten’, die zich zou moeten terugtrekken naarmate de wetenschap vordert in het vullen van de gaten in onze kennis. In wezen gaat het om een buitenwetenschappelijke geloofskeuze tussen toeval of schepping, tussen zinloosheid of plan. En juist omdat die keuze zelf geen wetenschappelijke is, is er geen reden voor een overheersing van het materialistisch atheïsme. Ik kom daar nog op terug. Overigens schrijf ik dit als bioloog, voor wie zijn christelijk geloof van steeds groter belang is geworden, zowel in zijn dagelijks leven als in zijn beschouwing van de natuur.

In het onderstaande behandel ik hoe de natuurwetenschap, in het bijzonder de biologie, op grenzen in haar causale verklaringen is gestuit en wat dat kan betekenen voor ons begrijpen van het ontstaan en de ontwikkeling van het leven op aarde.

NATUURWETTEN

Of je nu wel of niet gelooft in een goddelijke Wetgever, er blijken in de natuur wetten te gelden, die algemeen geldig blijken. Van de gevonden natuurwetten zijn die van de thermodynamica de meest fundamentele, want zij beheersen zowel de levende als de levenloze natuur, in de gehele kosmos. Deze wetten gelden materie en energie, beide in hun verschillende vormen: de stof in vaste, vloeibare of gasfase, de energie als warmte, elektriciteit, kracht, enz.

De eerste hoofdwet van de thermodynamica stelt dat van alle energie en materie, die in verschillende vormen en in elkaar kunnen overgaan, de totale hoeveelheid onveranderlijk is. Als het begin van de gehele kosmos dus een oerknal (‘Big Bang’) geweest is, dan zou daarin alle materie en energie van het huidig heelal vervat moeten zijn geweest, iets wat buiten ons voorstellingsvermogen ligt: ‘Eerst was er niets en toen dat ontplofte was alles er’. Zoals wij evenmin kunnen bevatten, dat toen voor ons heelal de tijd begon. Op zich is deze wetenschappelijk ontwikkelde idee overigens wel degelijk in overeenstemming met een goddelijke schepping uit het niets en met een duidelijk begin, zoals in Genesis 1 beschreven. Maar wij stuiten hier al op een wetenschappelijk niet te overschrijden grens: het terrein van het natuurwetenschappelijk onderzoek betreft immers slechts het door tijd en ruimte beperkte gedeelte van de totale werkelijkheid.

De tweede hoofdwet van de thermodynamica leert dat in die totale hoeveelheid energie en materie in de loop der tijd de entropie, dat is de wanorde, onverbiddelijk toeneemt. Populair uitgedrukt: alles valt uit elkaar in simpeler en energie-armere eenheden. Als je niet door te eten materie en energie aan je lichaam toevoegt, ga je dood en vervolgens tot ontbinding over. De organische, levende natuur is rijk aan energie, vandaar dat wij onze energie voor een groot deel ontlenen aan de resten van vroeger leven, de fossiele brandstoffen. De evolutietheorie onderstelt dat in een oorspronkelijk anorganische ‘oersoep’, van minerale zuren, basen en zouten, vanzelf zulke energierijke organische moleculen zouden zijn ontstaan. Die hebben zich geleidelijk met elkaar verbonden, tot er iets ontstond dat zich door deling kon vermeerderen en leidde tot een primitief leven. Op de lange duur heeft dit oerleven zich ontwikkeld tot een stamboom van steeds hoger ontwikkelde organismen, uiteindelijk tot wat wij kennen als de gehele levende natuur van bacteriën, planten, dieren en de mens. Deze theorie van toenemende ordening, eerst door de chemische evolutie in de oersoep en daarna bij de biologische evolutie in de levende natuur, is strijdig met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, tenzij er een gerichte invloed van buiten af bij betrokken is geweest.

Die buitenaardse invloed zou goddelijke scheppingskracht kunnen zijn, wat het enige alternatief lijkt voor een toevallige evolutie. Dat onttrekt zich uiteraard volstrekt aan natuurwetenschappelijke toetsing, dat is een kwestie van geloof. Is echter ook de aanname van toevallige evolutie niet een geloofszaak? We zullen zien.

HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN

Het ontstaan van levensvormen uit levenloze materie is een oud probleem, dat al eeuwen lang is onderzocht en uiteindelijk door de Franse scheikundige en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895) op grond van uitvoerig onderzoek is verworpen. Pasteurisatie voorkomt dat melk bederft door het verhinderen van microbiële ontwikkeling, en in vuil wasgoed ontstaan niet vanzelf muizen. Maar ook theoretisch is, naar wat wij vandaag de dag weten van de moleculaire bouw van de levende materie, een zogenaamde ‘spontane generatie’ van leven door een chemische evolutie onwaarschijnlijk tot in de hoogste graad.

In de 19e eeuw was leven verbonden met ‘eiwit’, dat thans meer blijkt te zijn dan alleen maar een klompje wit slijm van een kippenei. Elke levende cel bevat duizenden verschillende eiwitten, die als enzymen de zeer vele chemische levensreacties uitvoeren of dienen als bouwmateriaal, voor transport of voor afweer. Alle eiwitten zijn opgebouwd uit verschillende combinaties van slechts twintig verschillende aminozuren, die alle linksdraaiend zijn; één rechtsdraaiend aminozuur zou de enzymactiviteit vernietigen. Bij de vorming van aminozuren in het laboratorium ontstaan altijd gelijke hoeveelheden links(L)- en rechtsdraaiende(D)-aminozuren, de zgn. ‘racemische mengsels’, zoals er in de wereld ook altijd evenveel linker- als rechterhanden zijn. De levende cel bevat evenwel speciale minifabriekjes die uitsluitend L-aminozuren produceren; buiten deze celorganellen, bijv. in een ‘oersoep’, kunnen niet uitsluitend linksdraaiende moleculen gevormd en opgehoopt worden.

De L-aminozuren worden onder wateronttrekking aan elkaar gekoppeld tot eiwitten in de volgorden, die de specifieke vorm en functie van elk eiwit bepalen. Die volgorden volgen uit de volgorden van de eenheden, waaruit bepaalde nucleïnezuren zijn opgebouwd. Alle nucleïnezuren bestaan uit ketens van ribose en wel van uitsluitend de rechtsdraaiende isomeer, L-ribose zou de functie verstoren. Ribonucleïnezuur (RNA) wordt gevormd door eiwitten in celorganellen, waarbij de volgorden van de RNA-eenheden, de nucleotiden, worden bepaald door de nucleotidevolgorden in het desoxyribonucleïnezuur (DNA). Dit DNA zelf wordt eveneens door eiwitactiviteit vermeerderd, er zijn tientallen enzymen betrokken bij het dupliceren van de ketens waaruit het DNA is opgebouwd. Die ketens bevatten slechts vier verschillende D-nucleotiden en de volgorde van telkens drie van deze eenheden vormt de codering van de gehele genetische informatie van het betreffende organisme, dat uit al die nucleïnezuur- en eiwitactiviteiten resulteert. In boekvorm uitgeschreven zou die informatie een enorme bibliotheek beslaan, maar elk van de miljoenen cellen in je lichaam bevat die volledige informatie, voornamelijk in de celkern.

Eigenlijk is elke cel in je lichaam een miniatuurstadje met, behalve zo’n bibliotheek en eiwit- en nucleïnezuurfabriekjes, ook energiecentrales, industrieterreinen voor voedselverwerking, productie en opslag van materialen, met transportwegen en met membranen als muren om door specifieke poorten allerlei moleculen door te laten of juist tegen te houden. Zo is bijv. de toegangspoort van het kernmembraan opgebouwd uit ongeveer 450 eiwitten, van 30 verschillende typen, die samen een structuur vormen die aan bepaalde aminozuurvolgorden in de voorbijkomende, elders in de cel gevormde, eiwitten selectief de voor de kern benodigde enzymeiwitten herkent en slechts deze doorlaat. Aldus geven deze poorten in de verschillende organelmembranen ons een indruk van het grote wonder van de complexiteit en de diversiteit in de moleculaire architectuur van de levende cel. Bovendien is elke cel ook nog gespecialiseerd in de vorm en functie van het weefsel of orgaan, waartoe hij behoort, bijv. als huid-, spier-, lever- of zenuwcel, bij planten als bladmoescel, zeefvat of stuifmeelkorrel.

Je weet dit alles wel van school. Maar heb je wel eens een stadje of zelfs maar een fabriekje spontaan zien ontstaan? Hoe groot is de kans dat, als je een hoop schroot met wat rubber, plastic en glas aan weer en wind en bliksems blootstelt, je een vliegtuig ziet ontstaan dat met passagiers en al de lucht in kan? Of is er toch een team knappe ingenieurs nodig voor het ontwerpen van zo’n vliegtuig? Als je onbevangen kijkt naar dit verhaal van genetisch gereguleerde enzymsynthese en celbouw, kun je dan om een uiterst intelligent Ontwerper heen? Daar komen we nog uitvoerig op terug. De kans op het toevallig ontstaan van een klein eiwitje is berekend op 1:10325 , terwijl het gehele universum ‘slechts’ 1080 atomaire deeltjes bevat. Uiteraard wordt de kans op het toevallig ontstaan van een complete levende cel in een ‘oersoep’ nog veel lager ingeschat. De befaamde engelse astronoom en wiskundige Sir Fred Hoyle (1915-2001) berekende in 1981 dat de kans op het door chemische evolutie ontstaan van alleen al de eiwitten van de simpele, eencellige amoebe, afgezien van alle andere organische componenten die nodig zijn voor het leven van die cel, omstreeks 1:1040.000 moet zijn! Sir Fred bestempelde daarom de idee van spontane generatie van leven in een oersoep als ‘evidently nonsense of a high order’.
Er zijn dan ook talrijke problemen. We zagen al dat de vorming van de organische eenheden, om te beginnen aminozuren en nucleotiden, energie vereist, terwijl zuurstof en ultraviolette straling zeer schadelijk blijken. Toch heeft men door elektrische ontladingen onder sterk reducerende condities uit anorganische stoffen wel enkele (racemische) aminozuren kunnen maken. Alleen de linksdraaiende monomeren moeten dan geïsoleerd en gepolymeriseerd worden tot eiwitketens. Die polymerisatie gebeurt onder uittreding van water, maar in een waterrijke ‘oersoep’ ligt het evenwicht van zulke reacties uiteraard geheel bij de hydrolyse i.p.v. de synthese. Daarom zou die polymerisatie alleen mogelijk zijn bij een zeer sterke locale ophoping van die monomeren, bijv. door binding aan kleideeltjes. Als zulke kleideeltjes zich zouden bevinden bij vulkanische bronnen in de diepzee, de ‘black smokers’, onder hoge temperatuur en druk, maar zonder beschadigende zuurstof en ultraviolet, zou daar wellicht enige polymerisatie kunnen optreden. Echter, onder zulke omstandigheden racemiseren aminozuren spontaan, zodat de specifieke voorwaarde voor de eiwitsynthese bij voorbaat al verdwenen is.

En vervolgens komt het probleem: de verschillende soorten ketens hebben elkaar wederzijds nodig voor hun vorming. De eiwitketens behoeven nucleïnezuurketens voor hun codering, maar die nucleïnezuurketens moeten op hun beurt enzymatisch, dus door eiwitketens, gevormd worden. Het is een kip-en-ei probleem: wat zou er eerst geweest moeten zijn: eiwit, nucleïnezuur of allebei? Alleen sommige RNA-moleculen bevatten zowel codering als enige enzymatische activiteit, zodat wel een ‘RNA-wereld’ is ondersteld, die aan de DNA- en eiwitwereld zou zijn voorafgegaan. Maar de vorming uit anorganische moleculen van de bouwsteen van RNA, ribose, is nooit aangetoond, laat staan de vorming en ophoping van de specifieke D-isomeer, hetzelfde probleem als bij de abiotische vorming van de L-aminozuren. Bovendien bestaat RNA, evenals DNA, uitsluitend uit 3’-naar-5’ verbonden monomeren, zonder enig optreden van 2’-naar-5’ of 5’-naar-5’ bindingen, wat zonder enzymwerking niet te begrijpen is. Dat alles sluit ook een spontaan ontstaan van een ‘RNA-wereld’ uit.

Tenslotte is de verdere structurering van de verschillende polymeren tot functionele eenheden binnen de membranen van een cel, die volledig kan stofwisselen, nog een lang pad vol onoverzienbare voetangels en klemmen. En daarbij gaat het dan nog niet alleen om één enkele ontwikkelde cel, maar die moet zich ook nog door deling kunnen vermenigvuldigen. Zo zijn dan zowel de diepzeehypothese als de RNA-wereld nog irreëel ver verwijderd van ook maar de eenvoudigste bacterie, laat staan van een leeuw of zelfs van een leeuwerikje.

Om toch aan het toevallig voorkomen van leven op aarde te kunnen vasthouden, is als alternatief wel geopperd dat het leven vanuit de ruimte de aarde zou hebben bereikt. De Nobelprijswinnaar S. A. Arrhenius (1859-1927) veronderstelde al in 1884 dat leven overal in het heelal aanwezig zou zijn, de ‘panspermia’-theorie. Ook Hoyle, een eeuw later, dacht, gezien de door hem berekende onwaarschijnlijkheid van spontaan ontstaan leven, aan een mogelijk buitenaardse oorsprong van het leven. Maar zo’n idee is uiteraard niet meer dan slechts een verplaatsing van het onopgelost probleem van het bij toeval ontstaan van het leven.

De conclusie moet zijn, dat toevallige, blinde evolutie ontoereikend is om het ontstaan van het leven te verklaren. Een recent benoemd hoogleraar in de organische scheikunde verklaarde dan ook in de rede waarmee hij zijn ambt aanvaardde, dat ’de wolkenkrabber van de evolutietheorie niet op een degelijk fundament staat, terwijl de begane grond nog onbegaanbaar is: je kunt er momenteel als wetenschapper niet fatsoenlijk binnen komen.’

Tags: , ,

Oorsprong van de kerstboom

In onze lijst van vragen en antwoorden over kerst is al een paar keer een reactie gekomen over de oorsprong van de kerstboom.

We willen dan ook in dit artikel een aantal punten hierover bespreken, zonder een uitspraak te doen of het wel of niet geoorloofd is om deze in huis op te zetten.

Wordt de kerstboom in de Bijbel genoemd?
Vaak wordt gezegd dat in Jer. 10:3-5 sprake is van de kerstboom. Zoals al eerder behandeld blijkt dat het hier niet om een heilige boom gaat maar om het maken van een afgodenbeeld. Ook het idee van Luther dat de Bijbelse Aleppo-boom de oorspronkelijke kerstboom was is leuk bedacht maar heeft niets daarmee te maken.

Heilige bomen
In bijna alle culturen zijn er heilige bomen geweest, echter bij bestudering blijkt dat het vaak niet om naaldbomen gaat. Zo wordt vaak aangehaald dat de ‘Donareik’, een Keltische heilige boom die door Bonifatius in 723 is omgehakt al een vroege representant is van de kerstboom. Daarbij vergeet men dat het om een loofboom ging en niet om een naaldboom.
Natuurlijk zijn er ook in diverse culturen heilige naaldbomen geweest. In Rome was een van de heilige bomen de dennenboom en de bijbehorende god was Baäl-Berith “heer van de den” (De naam was tevens een woordspeling in het voordeel van de ingewijde, want Baäl-Berith betekent ook “heer van het verbond”). Terwijl mogelijk de ceder de heilige boom van Tammuz zou zijn. Bij de Kelten is bekend dat ze een rituele begrafenis uitvoerden van de spar.

De levensboom
Ook zien we dat de kerstboom vaak wordt geïdentificeerd met de levensboom uit het paradijs, waarbij de kerstballen het ‘verboden fruit’ voorstellen. Echter dit idee werd pas in de Middeleeuwen ontwikkeld en om die reden lijkt het niet erg aannemelijk dat de levensboom de oorspronkelijke kerstboom was.

De kerstboom
Pas in de Middeleeuwen zien we voor het eerst dat de kerstboom in verband wordt gebracht met kerst. De eerste vermelde kerstboom is te vinden op de hoeksteen sculptuur van een privéwoning in Turckheim, Elzas (toen een deel van Duitsland, tegenwoordig Frankrijk), en wordt gedateerd op 1576 (Roger Ehrsam (1999). Le Vieux Turckheim. Ville de Turckheim: Jérôme Do Bentzinger). Mogelijk werden de Keltische/Germaanse gebruiken van het verbranden van de spar en het plaatsen van cadeautjes toen gekerstend tot een christelijk gebruik. De dominee en kroniekschrijver Balthasar Russow schreef in zijn Chronica der Provinz Lyfflandt (1584) over een gevestigde traditie van het opzetten van een versierde spar op het marktplein waar de jonge mannen “met een koppel van meisjes en vrouwen gingen, in dan eerst daaromheen zongen en dansten en dan de boom in brand zetten”. Na de protestantes reformatie (16de eeuw) zien we voor het eerst dat sparrenbomen in de huizen van de rijkere families worden gezet. We zien dan ook de eerste verklaringen van Luther.
In de negentiende eeuw heeft het Réveil een belangrijke rol gespeeld bij de introductie van de kerstboom. Ottho Gerhard Heldring zag de gezellige sfeer in Duitsland en wist dat het niet alleen een goede manier was om de arme gezinnen te trekken en ze te ondersteunen door cadeautjes te geven aan de kinderen, maar ook dat dit een uitstekende gelegenheid was om het Evangelie te verkondigen.

Conclusie
De kerstboom is pas zeer laat in het kerstfeest opgenomen en was niet een oorspronkelijk onderdeel van het feest. Zeer waarschijnlijk is het overgenomen van de Keltische/Germaanse gebruiken en verder geëvolueerd tot wat het nu is.

Tags:

Noël

Steeds vaker lezen we in de media en fora allerlei onzin over zaken die met kerst te maken hebben, en degenen die onze website regelmatig bezoeken weten dat we juist om die reden een speciale pagina hebben aangelegd die op de meest voorkomende vragen een antwoord geeft. Vandaag kwamen we, dankzij Willem Ouweneel, erachter dat men tegenwoordig ook allerlei twijfels heeft over het woord ‘Noël’. Ouweneel schrijft: “Maar het mooiste (of ergste) dat ik vond is het volgende. Ik hóóp dat het een grapje was, maar het stond wel in een bloedserieuze context. Dus ik vrees dat het níét als grapje bedoeld was. De schrijver verklaarde dat het woord No-el ‘geen God’ betekende! Dit spant de kroon. No is Engels, en El is Hebreeuws, maar dat doet er natuurlijk niet toe. De naam geeft al aan dat kerst niet deugt…“.

Betekenis Noël

Zoals ook Ouweneel betoogd komt het woord ‘noël’ uit het Frans. In het Van Dale Etymologisch woordenboek lezen we dan ook de volgende verklaring:

noël [Frans kerstlied] {1847} < frans Noël [Kerstmis, kerstlied], oudfrans nouel, noel, neel, nael < latijn (dies) natalis [geboortedag (van Christus)] (vgl. nataal).

Ook andere naslagwerken komen tot een soortgelijke verklaring, zo geeft de Online Etymology Dictionary:

Noel (n.)
late 14c., nowel “feast of Christmas,” from Old French noel “the Christmas season,” variant of nael, from Latin natalis (dies) “birth (day),” in Church Latin in reference to the birthday of Christ, from natus, past participle of nasci “be born” (Old Latin gnasci; see genus). The modern word in English, with the sense “a Christmas carol” (1811) probably is a separate borrowing from French. As a masc. proper name, from Old French, probably literally “of or born on Christmas.”

Los van de etymologische oorsprong van dit woord, is deze stelling dat Noël ‘geen God’ betekent nog eens vreemd, want het gebeurt maar zelden tot nooit dat een woord is samengesteld uit meerdere leenwoorden uit verschillende andere talen en doet verdacht veel denken aan volksetymologie met de intentie om het kerstfeest in een kwaad daglicht te stellen. Net zoals veel andere fabels rondom kerst, moeten we ook deze daartoe verwijzen.

Tags:

Bijbelcode en Jesaja 53

Al eerder is er op deze website geschreven over de Bijbel-code of Equidistant Letter Sequence (E.L.S.) en aangetoond dat deze grote onzin is. Niet alleen is toen aangetoond dat dit verschijnsel, het vinden van woorden door letters welke men horizontaal, verticaal, diagonaal aan elkaar verbind, al dan niet door letters welke op een bepaalde afstand van elkaar staan met elkaar te verbinden (bv. om de 50, 75 of 346 letters), ook in andere boeken voorkomt maar ook dat er grote problemen zijn welke grondtekst je gebruikt.

Om die reden zijn we bezig geweest om de passage van Jesaja 52:13-53:12 van de bekende Dode Zee-rol Jesaja (1QIsaa) te vergelijken met de Masoretische tekst (Biblia Hebraica Stuttgartensia). In deze 15 verzen bleken op letterniveau al meer dan 115 (!!) verschillen te zijn. Deze 115 verschillen zorgen ervoor dat de vermeende patronen van een Bijbel-code verschuiven en nutteloos zijn. We moeten ons dan ook afvragen dat als er al zoveel verschillen zijn met een Dode Zee-rol die het dichtst bij de Bijbelse periode staat, hoe kunnen dan de aanhangers van de E.L.S. stellen dat hun bevindingen waar zijn. Waar zijn hun bewijzen dat hun “grondtekst”, de Koren-editie, de correcte is? Zijn er oudere grondteksten die overeenkomen met deze editie? Of hebben ze zonder onderzoek geponeerd dat dit de enige correcte editie is?

U kunt de verschillen nazien, door vanaf Jesaja 52:13 te kijken bij de “vertaalnotities”.

Tags:

Dit is de 136e aflevering van de Livius Nieuwsbrief met nieuws over de Oudheid. De nieuwsbrief is gratis; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Jona Lendering (redactie)

======================================

LIVIUS’ EIGEN NIEUWS

Het nieuwe cursusprogramma is er, met cursussen over de herkomst van de Europese volken (kortom, het recente DNA-onderzoek) in Amsterdam en Dronten, Egypte in het vernieuwde Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, Mesopotamië in Bussum en Hoorn, het antieke Noord-Afrika in Amsterdam, het ontstaan van West-Europa in Haarlem, Zaanstad en Zoetermeer, islamitisch Spanje in Schagen, het Nibelungenlied in Amsterdam en de Zijderoute in Gouda.


In de reeks museumstukken: eliteaardewerk, een Mesopotamisch kadaster, de Trojaanse Oorlog, een schitterend Grieks grafreliëf, een lever voor de ingewandenschouw en de gouden plaatjes uit Pyrgi,

Over boeken: Hugo Konings boek over de uitleg van mythen, Piet Gerbrandy’s vertaling van Synesios’ hymnen en de boeken van Luit van der Tuuk over de Friezen en Franken.

En: Tepe Sialk, de herkomst van de Batavenmythe en wat hebben de verkiezingsprogramma’s te bieden voor Oudheidliefhebbers?

======================================

HET MOOISTE VAN DE MAAND

Dat uw redacteur het eerste exemplaar kreeg van de tentoonstellingscatalogus heeft vanzelfsprekend geheel geen invloed gehad op de uitverkiezing van de expositie over Egyptische koninginnen in onze erkend subjectief “het mooiste van de maand” genoemde rubriek

In dit keer het bericht dat in het Rijksmuseum van Oudheden de Egyptische collectie weer open is en er een expositie is over. Toebosch’ onvolprezen Eigen Tijdschrift is enthousiast.

In de bonus krijgt u nog een reeks stukjes over Egyptische koninginnen: algemeenNeithhotepMerneithNitokris.

======================================

EGYPTE

Dat het alfabetische schrift in het Midden-Oosten is ontstaan, staat vast. De oudste onomstreden tekens komen uit de Sinai maar er zijn (uit de Wadi el-Hol) ook Egyptische tekens die alfabetisch zouden kunnen zijn. De zaak wordt nu complexer – wat betekent dat we meer informatie hebben en dus dichter bij een oplossing zouden zijn als het niet zo gepolitiseerd was.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 12 (Nefertari), 3. En dan hebben we het nog niet gehad over de Leidse krokokodillenmummie.

En verder: interessante ontdekking in AbydosSohag (waar zelfs de schijn dat archeologie een wetenschap is moet wijken voor het toeristisch belang), Aswan en beeldschoon oud glas.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

Een prachtige kruik uit de Midden-Bronstijd, gevonden in Tel Aviv. Om helemaal blij van te worden, zo’n mooie foto.

Daan Nijssen vertelt over het schandaal van de Persepolis Fortification Tablets.

En verder: ArslantepeKhirbet al-Batrawymilieuvervuiling, . Plus: spijkerschriftkoekjes.

======================================

BLOED-OUDHEDEN

In noordelijk Irak is het offensief naar Mosul gestart. Er zijn geruchten over grote verwoestingen, aangericht door ISIS, in Nineveh. In Nimrod zijn soortgelijke geruchten inmiddels bevestigd.

Daan Nijssen legt uit waarom ISIS de zaken kapotmaakt. En het opiniestuk die je wist dat zou komen.

======================================

DE OUDE GRIEKEN

Niet direct nieuws, maar wel interessant: meer details over de instorting van Santorini (Thera) en de daarop volgende, al bekende stormvloed.

Een oud kliekje opnieuw opgediend: de bijbelse stam Dan was mogelijk een groep Myceense huurlingen.

En verder: geboortebeperking en de skeletten uit Faleron weer eens.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

Een fascinerend Etruskisch graf met een naargeestig skelet.

Keizer Silbannacus, wie kent hem niet?

In de stad zelf: het heropende Circus Maximus.

Vaker dan je zou denken is er nieuws over smokkelaars van oudheden die worden gearresteerd – zoals deze twee Nederlanders.

En verder: AlexandriëAntalya, een dierenkerkhof in BereniceMardinPlovdivPompeii, een inscriptie uit Sanli Urfa maar geen woord over de inhoud, Starza della Regina (oudheidkundige standaardoverdrijving), Vindonissa

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

De nieuwe website “Archeologie op de kaart”: een mooi begin van wat hopelijk véél uitgebreider gaat worden.

Een geweldig stuk over de Romeinse kust: genuanceerd, zonder overdreven claims. Wetenschapsjournalistiek over de Oudheid – het kan dus wél goed.

De ontdekking van een Merovingisch grafveld bij het Limburgse Echt. En – daarmee verwant – een stukje over Frankische kunst.

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Cissbury RingBristol en de zwarte bewoners van Leicester. Want de simpele conclusie van het DNA-onderzoek, dat migratie iets is van alle tijden, lijkt maar niet door te dringen.

En verder: Bronstijd-graven op de Utrechtse Heuvelrug en hoe Archeon werd gepiepeld.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Een IJzertijdnederzetting is natuurlijk niet interessant. Dus verzinnen we er een paleis van koning David bij. En dat recyclen we net zo lang tot iedereen een grondige weerzin heeft van de oudheidkunde. Nu weer een expositie. En niemand die de moeite neemt zelfs maar op te schrijven hoe de opgraving heet (Khirbet Qeiyafa).

En dat is dan weer wél nieuws: de ontdekking van een ritueel bad in Machereus.

Diverse berichtjes uit Jeruzalem: grafschenning, de Grafbasiliek (werkelijk niets nieuws, maar ja, het is bijna kerstmis hè) en een Byzantijnse boog.

Een interessante inscriptie uit de tijd van Bar Kochba illustreert hoe moeilijk de onderdrukking van diens messiaanse opstand is geweest.

En verder: Masada.

Een stukje over het vroege christendom waarin werkelijk niets nieuws staat: inderdaad, de christenen waren joods; inderdaad, ze hadden ruzie; inderdaad, de Bijbel circuleerde nog niet in een voor ons herkenbare vorm; inderdaad, ze scholen niet in catacomben; inderdaad, we weten niets over Petrus. Kortom: een stuk dat niets noemt dat u niet allang weet. En helaas is het bittere noodzaak dat op het internet te herhalen – zie ook “overig” (hieronder).

======================================

OVERIG

Omdat oudheidkundigen verzuimen uit te leggen dat ze een wetenschap beoefenen met een echte methode, denkt iedereen dat ’ie kan meepraten. Mark Rutte herhaalde zijn blunder over de val van het Romeinse Rijk, in Engeland herhaalt iemand van UKIP dat verhaal, en verder wordt Cicero te onpas gebruikt. Zolang wetenschappers de methode niet uitleggen, zijn manifesten als dit pure symptoombestrijding.

Het leuke verhaal over de eerste tekeningen van Palmyra, n.a.v. de expositie in Deventer.

De Universiteit van Amsterdam biedt een interessante reeks “big history”.

En verder: een Paflagonisch graf.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Roel Salemink van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel, die u de boeken snel zal leveren als u gebruik maakt van de onderstaande links.

Het tweede deel in John Romer’s History of Ancient Egypt is verschenen en heeft de ondertitel From the Great Pyramid to the fall of the Middle Kingdom. Het behandelt op uitvoerige wijze de geschiedenis van het oude Egypte tussen 2500 en 1800 voor Christus.

Geneeskunde is een kleine selectie uit de Naturalis Historiae van Plinius de Oudere. Zoals de titel doet vermoeden zijn hier de gedeelten samengebracht over medicijnen, geneeskrachtige kruiden en hun functioneren.

Dat niet iedere Griek blind geloofde in de mythen over goden, helden en monsters laat Hugo Koning zien in het boek Mythen moet je niet geloven! waarin hij de tekst Peri Apiston (Ongelooflijke verhalen) van Palaiphatos (vierde eeuw voor Christus) opnieuw heeft vertaald en ingeleid. (recensie)

Over de Griekse filosofie is het geprezen overzichtswerk van Anthony Gottlieb in vertaling verschenen: De Droom der Rede. een geschiedenis van de filosofie van de Grieken tot de Renaissance.

======================================

DWAASHEID

En daar waren ze weer: de loden codex (commentaar) en het Evangelie van de Vrouw van Jezus (commentaar).

======================================

INTERNET

Gnomon biedt zijn catalogus van oudheidkundige artikelen digitaal aan. Het totale aantal van 600.000 publicaties is overigens een fractie van de totale productie. Alleen al voor Nederland werden tussen 2000 en 2010 een half miljoen pagina’s geschreven – ofwel een toren van vijfentwintig meter.

======================================

OVERLEDEN

De Nijmeegse stadsarcheoloog Jan Thijssen is overleden.

======================================

EN TOT SLOT

Een belangrijke doorbraak in het hiëroglyfenonderzoek.

Toota witharsechwanoo!

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de nieuwspagina van het Rijksmuseum van Oudheden en bij Aantekeningen bij de Bijbel.

Tags: ,

Dit is de 135de aflevering van de Livius Nieuwsbrief met nieuws over de Oudheid. De nieuwsbrief is gratis; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl. Jona Lendering (redactie)

=====================

LIVIUS’ EIGEN NIEUWS

Een greep uit het Liviusaanbod: de cursus over antiek Noord-Afrika in Amsterdam.

Op de Livius.org-website zijn we nog steeds bezig met de migratie naar een nieuwe stijl, maar inmiddels is de Bataafse Opstand overgezet. Blogstukjes: antieke kleuren, Kelten in de Lage Landen, de Chamaven (Germaanse stam uit de Achterhoek), zomaar wat mooie papyri en de val van het Serapeum. In de serie museumstukken: schitterend ivoor uit Megiddo, de kalender van Gezer en het prachtige portret van Shapur II.

Plus drie boekbesprekingen: kwakhistoricus Reza Aslan over Jezus, Maurice Caseys verkeerd gerichte weerlegging van kwakhistorische Jezusboeken en Paul Veyne draaft door over Palmyra.

======================================

HET MOOISTE VAN DE MAAND

In onze erkend subjectief “het mooiste van de maand” genoemde rubriek dit keer de etymologie van “Nehalennia”.

======================================

EGYPTE

Prachtige foto van een graf in Abydos met op de muren afbeeldingen van schepen. Een nieuw najaar, nieuw onderzoek, een nieuwe geheime ruimte in een koningsgraf. Dit keer de Grote Piramide.

En verder: Aswan en een héél zinvol artikel over het maandelijkse gesleep met mummies.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

Cyrus de Grote blijft symbool van een niet-islamitisch Iran: een bijeenkomst in Pasargadai.

En verder: Dohuk (Bronstijdstad in N-Irak), Tell Sabi Abyad, een oeroude werf bij Silifke, een graf in Muǧla.

======================================

BLOED-OUDHEDEN

Er zijn twee offensieven ingezet tegen ISIS: een richting Raqqa en een richting Mosul. Bij dat laatste is Nimrud bevrijd. Ook Khorsabad ligt inmiddels aan de veilige kant van de frontlinie.

In het Allard Piersonmuseum was een bijeenkomst over Palmyra, waarbij onder andere eenzijdige media-aandacht en de toekomst ter sprake kwamen.  “De gedachtenwisseling bij deze bijeenkomst was boeiender en interessanter dan een jaar eerder,” schrijft Toebosch’ Onvolprezen Eigen Tijdschrift.

Daan Nijssen schrijft stug door over het oud-oosterse, hellenistische en Romeinse erfgoed dat verloren is gegaan: Aššur, Nimrod, de eerste Arabieren, Hatra en Palmyra.

======================================

DE OUDE GRIEKEN

In Agrigento is het antieke Griekse theater geïdentificeerd.

Veel gedoe deze maand over de mogelijkheid dat de standbeelden van krijgers in het graf van China’s eerste keizer zouden zijn geïnspireerd door Griekse sculptuur. En de weerlegging.

En verder: opnieuw Pylos en nog eens Pylos. En Knidos.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

Interessant: de plek waar de Romeinse legionairs Jeruzalem binnendrongen.

Om helemaal blij van te worden: mozaïeken in Edessa (Sanli Urfa).

Zevenhonderd flesjes met rustgevende middelen bij Istanbul – en een vergezocht verband met een vroeg-zevende-eeuwse belegering.

En verder: een mooie reconstructie van een huis uit Pompeii, Assos, Stara Zagora, de Baai van Napels en waren de Romeinen in Japan?

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Je kunt drones inzetten voor allerlei doeleinden. Dus waarom zou je er geen erosie mee meten? Zoals in Tienen.

De Limburger besteedde terecht veel aandacht aan het antieke Heerlen en aan het zich zo succesvol vernieuwende Thermenmuseum. Toen ze toch bezig waren, ging het nabijgelegen Simpelveld in één adem door.

Weer een nieuwe aflevering in de kinderachtige discussie over welke stad in Nederland het oudst is. Ga iets serieus doen.

En verder: Kuringen, Paderborn en een pot antieke gezichtscrème uit Londen.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Interessante vondsten in Jaffa documenteren gevechten tussen Egyptenaren en Kanaänieten.

De onlangs opgedoken Dode Zee-rol-fragmenten zijn vermoedelijk vals. En nóg een papyrus, ook al ongeloofwaardig.

Een grappige christelijke inscriptie uit Smyrna die iets heeft van een satorvierkant.

En verder: reparaties aan de H. Graf-basiliek in Jeruzalem.

======================================

OVERIG

Fijn stukje over de “vallei der Thracische koningen” in Bulgarije.

En verder: Etruskisch Vulci, een Fenicisch wrak bij Gozo.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Roel Salemink van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel, die u de boeken snel zal leveren als u gebruik maakt van de onderstaande links.

In How to win an argument: An Ancient Guide to the Art of Persuasion zijn de antieke wijsheden van Cicero bijeengebracht over hoe men anderen kan overtuigen en beïnvloeden, een uitermate relevant en nuttig onderwerp. Dit is het vierde deeltje in een reeks met daarin How to grow old: Ancient Wisdom for the Second Half of Life, How to win an election: An Ancient Guide for Modern Politicians en How to run a country: An Ancient Guide for Modern Leaders. De boeken laten op aardige wijze zien hoe interessant en toepasselijk antieke teksten nog kunnen zijn voor het moderne leven.

De Macht van de Traditie: het keizerschap van Augustus en Constantijn is het boek dat classicus Diederik Burgersdijk schreef over het bij nadere beschouwing traditionele en klassieke keizerschap van Constantijn, dat grote gelijkenissen vertoonde met het keizerschap van de eerste keizer Augustus.

Cambridge University Press kwam deze maand met een grote hoeveelheid nieuwe titels in paperback, een selectie: Pericles: A Biography in Context over de Griekse staatsman, Scylla: Myth, Metaphor, Paradox over het bekende Griekse zeemonster, Ancient Libraries over bibliotheken in de klassieke oudheid, Proclus: An Introduction over de Neoplatonist Proclus, Theater Outside Athens: Drama in Greek Sicily and South Italy over Grieks theater buiten Griekenland, Ancient Greek Music: A new technical History over de ontwikkeling van de muziek bij de Grieken en Augustine Deformed: Love, Sin, and Freedom in the Western Moral Tradition over het denken van Augustinus.

======================================

DWAASHEID

Archeologen vinden mozaïeksteentjes in het zand dat in de jaren negentig bij de bouw van een moskee op de Tempelberg is weggegooid en dat nu wordt gezeefd in de hoop iets te vinden. Die mozaïeksteentjes interpreteer je dus als behorend tot de joodse tempel – al kunnen ze net zo goed behoren tot de christelijke kerk die hier heeft gestaan of een islamitisch bouwwerk van voor de Kruistochten.

N.a.v. een UNESCO-resolutie kwam de kwakhistorische theorie weer naar voren dat de joodse tempel nooit heeft gestaan op de Tempelberg. En dat is evidente onzin.

======================================

EN TOT SLOT

Dreigt er een nieuwe Trojaanse Oorlog?

Toota witharsechwanoo!

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de nieuwspagina van het Rijksmuseum van Oudheden en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer IBAN NL26 INGB 0670 7911 21 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel. (Als u niet in Nederland woont: BIC/SWIFT INGBNL2A.)

Meer weten over de Oudheid? Neem een abonnement op Ancient History Magazine. Het net verschenen zevende nummer, dat een dezer dagen van de drukpersen rolt, is gewijd aan Nineve en het antieke Assyrië.

Tags: ,

Ezau, hij is Edom

Tegenwoordig verschijnen nog maar weinig studieboeken over een specifiek Bijbels persoon. Toch heeft de schrijver Anco van Moolenbroek het aangedurfd om een lijvig boek (meer dan 400 pagina’s) over Ezau, de broer van Jakob, te schrijven. Een keuze die niet direct voor de hand ligt, maar een blik op het inhoudsregister geeft al aan dat niet alleen over de persoon Ezau wordt geschreven, maar ook over zijn nageslacht. Dat is dan ook het interessante van dit boek, er wordt gekeken hoe in de loop der eeuwen het nageslacht van Ezau zich ontwikkelen tot de Edomieten en later de Amelekieten en hoe die zich opstellen tot hun broedervolk Israël.

Zoals je mag verwachten van een degelijk studieboek wordt ieder aspect wel behandeld. In de eerste zes hoofdstukken van het eerste deel wordt een uitvoerige biografie gegeven over Ezau zelf, om in het zevende hoofdstuk in te gaan op zijn directe nageslacht, de Edomieten. In de hoofdstukken daarna wordt de lezer meegenomen in het erfbezit van Ezau en worden steden als Petra, Bozra, Teman en Dedan beschreven. Interessant is meteen dat ook de religie van deze steden wordt behandeld en we kunnen zien hoe die steeds meer afwijkt van de Joodse godsdienst. In vogelvlucht lezen we over hoe Ezau’s nazaten een belangrijke rol spelen in koninkrijken als Idumea, Phoenicië, het Romeinse Rijk en andere. Een speciaal hoofdstuk wordt gewijd aan profetieën welke gericht zijn aan/tegen Edom.

In het tweede deel wordt vervolgens nog eens uitvoerig diverse Edomieten en Amelekieten behandeld, zoals Haman in de geschiedenis van koningin Esther, David en de Amelekieten om langzaam de hypothese op te werpen dat Amalek, de kleinzoon van Ezau, de vermenselijking is van de mens zonder God en zelfs de tegenstander van God is. Ook al vind ik dat de schrijver soms hierin te ver doorschiet, blijft het een interessante hypothese die zeker redelijk is onderbouwd en goede inzichten geeft over diverse verhoudingen van deze volken ten opzichte van het Joodse volk in de Bijbel.

Het boek is goed voorzien van voetnoten en gelukkig staan die onderaan de pagina en niet zoals vaak tegenwoordig gebeurd achteraan, zodat men gemakkelijk deze eropna kan slaan.

Voor iedereen die van een goede Bijbelstudie houdt is dit boek zeker aan te raden.

U kunt het boek hier bestellen.

Tags:

Psalm 147:12-13

Het is weer eens tijd om een Psalm te behandelen, een populaire psalm in Mizrahi stijl, waarin duidelijk de oriëntaalse invloeden zijn te horen, is Psalm 147. Het wordt gezongen door Hadar Ozeri (die, ter waarschuwing, overigens ook veel niet religieuze muziek zingt).

Zoals gewoonlijk staat onder de video de Hebreeuwse transliteratie en een vertaling. Tijdens het zingen wordt de Godsnaam JHWH uitgesproken door Adonai (“Heer”), omdat Joden deze niet uitspreken. De twee verzen worden meermalen herhaald.

12
šabəḥî yərûšālaim ’eṯ-JHWH
Jeruzalem, roem de HEERE,

haləlî ’ĕlōhayiḵə ṣîywōn:
Sion, loof uw God.

13
kî-ḥizzaq bərîḥê šə‘ārāyiḵə
Want Hij maakt de grendels van uw poorten sterk,

bēraḵə bānayiḵə bəqirəbēḵə:
Hij zegent uw kinderen in uw midden.

Tags: , , ,

« Older entries § Newer entries »