Flora

You are currently browsing the archive for the Flora category.

Want de gebruiken van de volken zijn niets; want het is [als] hout, dat men in het bos heeft gekapt, bewerkt door de handen van de ambachtsman met zijn bijl. Met zilver en met goud overdekt men het, met spijkers hameren ze het vast, opdat het niet wankelt. Ze zijn [als] een palmboom, uit één stuk bewerkt, maar kunnen niet spreken, ze moeten gedragen worden, want [zelf] kunnen ze niet lopen; wees niet bang voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen, evenmin als goeddoen.

Jeremia 10:3-5 (AB-vertaling)

De laatste dagen zie ik regelmatig allerlei statements dat bovengenoemde passage een beschrijving is van de hedendaagse kerstboom en de kerstboom dus om die reden afgewezen moet worden. Als je het vluchtig leest dan lijkt dat inderdaad zo, temeer daar in verschillende moderne vertalingen het vijfde vers vaak als “Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld” wordt vertaald. Vorige week had ik al vermeld dat deze vertaalkeuze is overgenomen uit het apocriefe EpJer. 6.70 en dat in de Hebreeuwse grondtekst dit niet staat.

Gaan we dieper in op deze verzen dan lezen we dat in het bos een stuk hout wordt gehaald welke vervolgens bewerkt wordt met bijlen of beitels, een verwijzing dat het dus om een gebeeldhouwd iets gaat wat wordt bevestigd in het volgende gedeelte waarin wordt vermeld dat dit beeldhouwwerk met zilver en goud wordt overdekt. Denk bijvoorbeeld aan het gouden kalveren welke door Aäron (Ex. 32) en Jerobeam (1 Kon. 12:28) werden gemaakt. Het gaat dus om afgodsbeelden en niet om heilige bomen, ook al is het niet onmogelijk dat het hout wat werd gebruikt afkomstig is van een heilige boom. In de beschrijving zien we de spottende opmerking, dat dit beeld vastgespijkerd moet worden, iets wat we ook zien bij veel Egyptische afgodsbeelden omdat het op een platform werd gezet en ervoor zorgde dat het beeld daar niet van af kon vallen. De spot gaat verder dat dit zelf gebeeldhouwde beeld niet kan lopen maar gedragen moet worden (vandaar het platform) en natuurlijk ook niet kan spreken. Het is zo machteloos dat het zelfs niet kwaad of goed kan doen, het is “niets” (het zelfde woord dat ook in Prediker wordt gebruikt “ijdelheid der ijdelheden”). Tot slot zien we de verwijzing naar de palmboom, in de omliggende landen was de palmboom een heilige boom en werd gebruikt voor het maken van afgodsbeelden. Om onder andere die reden zie ik dan ook geen noodzaak om het te vertalen met “vogelverschrikker”.

Uit de hele beschrijving blijkt dat het gaat om het maken en vereren van afgodsbeelden en niet om het vereren van een heilige boom. Over het algemeen werden heilige bomen nooit gekapt en vervolgens vereerd (behalve als er dan een standbeeld van werd gemaakt). Dat hier dan ook sprake is van een voorloper van de kerstboom is dan ook zeer miniem, want een kerstboom wordt niet met goud of zilver overdekt zoals bij het gouden kalf. De kerstboom wordt versierd en lijkt meer op de gewoonte van de Grieken die de jaarlijkse gewoonte hadden om de Aleppo-den te versieren met bloemen en linten ter ere van hun god Attis (wat voeding geeft aan de theorie die stelt dat de Aleppo-den de originele boom van Kerstmis is), maar ook zij kapten de boom niet.

Tags: , ,

De Tamrurim

Zet wegwijzers neer, plaats spitse pilaren, richt je hart op de weg, het pad [waarop] je gewandeld hebt;
keer terug, jonkvrouw van Israël, keer terug naar je steden!

Jeremia 31:21 (AB-vertaling)

Nergens kun je zo makkelijk verdwalen als in de woestijn, alles lijkt op elkaar en het gevaar dat als je niet goed oplet en van de weg afraakt en verdwaalt is levensgroot aanwezig. Jeremia zal hiervan geweten hebben en haalt dit als voorbeeld aan in bovengenoemd vers met het advies om op zichtbare plekken wegwijzers te zetten, in de oudheid waren dit vaak opgerichte stenen of andere duidelijke kenmerken. Tegenwoordig zie je vaak dat sommige stenen beschilderd zijn om diezelfde reden. En tot zover is deze tekst duidelijk, ook de oproep van de “stadse” vrouw om terug te gaan naar de veilige steden.

Interessanter is de oproep “plaats spitse pilaren“, in het Hebreeuws staat hier het woord Tamrurim en is een woordspel met Thamar de palmboom waar in Jer. 10:5 over wordt gesproken. Als men zich richt op de verkeerde wegwijzers, dan kan het verkeerd met je aflopen. Daarom is het van belang dat je je op de gebaande weg begeef en niet afdwaalt. In Jeremia 10:5 lezen we “Ze zijn een palmboom, uit één stuk bewerkt, maar kunnen niet spreken“, in veel modernere vertalingen overgezet als “Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet” omdat ze het apocriefe EpJer. 6.70 “For as a scarecrow in a garden of cucumbers keepeth nothing” volgen. De vraag is af dit nodig is, want er is in deze context geen sprake van een vogelverschrikker, er is sprake van heilige boom verering en de Palmboom was in de oudheid een van de heilige bomen.

Omdat palmbomen voorkomen in de woestijn en behoorlijk spits zijn, geeft dat een wending aan onze tekst in Jer. 31:21. Er is een spottende ondertoon in, ze kunnen hun “geweide palen” oprichten, maar dat zal hun niet helpen. Ze moeten terug naar de paden van weleer, stoppen met dwalen in de woestijn en terug naar de steden, naar Jeruzalem, waar de tempel is.

Tags: , , ,

Een amarant-kroon

En als de Opperherder is verschenen, zo zul je een amarant-kroon van de heerlijkheid krijgen.

1 Petrus 5:4 (ABvertaling)

Als we in de diverse moderne vertalingen kijken dan zien we dat er gesproken wordt over een “onverwelkbare krans van de heerlijkheid” (HSV), “nooit verwelkende krans van de heerlijkheid” (WV96), “krans van de luister, die nooit verwelkt” (NBV). In de grondtekst wordt gesproken over de “amarantinon” en in de woordenboeken wordt dan vermeld dat het “niet verwelkend” betekent en is afgeleid van de amaranth, de “nooit afvallende bloem”.

Zoals op de foto is te zien is de Amarant (Amaranthus albus) een onopvallende struik, die als je hem niet kent als onkruid zou betitelen. Toch heeft deze plant een hele mooie eigenschap, nadat hij heeft gebloeid lijkt het alsof hij sterft en zie je alleen nog maar dor hout (onderste foto) en dan wordt de plant direct herkenbaar. Het is de bekende “tumbleweed” die de hoofdrol speelt in veel Amerikaanse films waar het over de verlaten vlakte rolt. Tot het weer bij een plek komt waar water is, om daar weer uit te lopen. In een van Aesop’s fabels lezen we dan ook het volgende verhaal: “Een amarant plant, waarvan bloem nooit verdwijnt, groeide naast een rozenstruik. De amarant zei tegen de rozenstruik: ‘Wat een schitterende bloem ben je! Je wordt begeert door zowel de goden en stervelingen. Ik feliciteer je met jouw uitnemende schoonheid en je heerlijke geur.’ De roos zei schuchter: ‘O amarant, eeuwige bloem, ik leef slechts voor een korte tijd en zelfs als niemand me plukt zal ik sterven, terwijl je staat te bloeien en bloeit met de eeuwige jeugd!’”

Nu mag het misschien zo zijn dat de Amarant niet constant bloeit, maar er zit wel een kern van waarheid in de fabel. Deze plant komt steeds opnieuw op, zelfs als zij dood lijkt en weet zich zeer agressief te verspreiden, zodat in sommige gebieden het als een ware pest wordt gezien.

Het is om deze reden dat de amarant synoniem is geworden met de “onverwelkbaarheid” en dankzij de kleine stekels kan men er makkelijk een kroon van maken die weer gaat bloeien zodra er water bij komt. Het is duidelijk wat de bedoeling is van dit vers, deze kroon zal eeuwig blijven bestaan. Toch moeten we voorzichtig zijn met het maken van vergelijkingen met de plantenwereld, want in het Oude Testament wordt ook deze plant (of één met een soortgelijk groeipatroon) vermeld en waar wordt gewezen op het wegwaaien ervan, in Psalm 83:14 lezen we “Mijn God! maak hen als de gundelia, als kaf voor de wind“, waarbij met de “gundelia” (in de meeste vertalingen als distelpluis, distel of werveldistel wordt vertaald) de Akoub (Gundelia tournefortii) wordt bedoeld en in het Nederlands ook vaak Amarant wordt genoemd. In deze tekst zien we dat de vijanden juist verspreid moeten worden zoals deze plant door de wind. Hieruit blijkt dat het belangrijk is om Bijbelteksten in de context te lezen.

Tags: , , , ,

Vandaag werd gepreekt in onze kerk over de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid, hierbij mijn (concept)vertaling van dit gedeelte uit Mattheüs 13:24-30:

24 Een andere gelijkenis hield Hij hen voor en zei: Het koninkrijk van de hemel is als een mens die goed zaad in zijn akker zaaide.
25 En toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide dolik tussen de tarwe en ging weg.
26 Toen nu het gewas opgeschoten was en vrucht begon te ontwikkelen, toen werd ook de dolik zichtbaar.
27 En de lijfeigenen van de eigenaar kwamen en zeiden tot hem: Meester, heb je geen goed zaad in je akker gezaaid? Van waar komt dan deze dolik?
28 En hij zei tot hen: Een vijandig mens heeft dit gedaan. En de lijfeigenen zeiden tot hem: Wil je dan dat wij erheen gaan en het verzamelen?
29 Maar hij zei: Nee, zodat jullie niet [tijdens] het verzamelen van de dolik ook mogelijk tegelijk de tarwe eruit trekt.
30 Laat ze beiden gezamenlijk opgroeien tot de oogst en in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamel eerst de dolik en bindt het in schoven om het te verbranden, maar verzamel de tarwe in mijn schuur.

Aantekeningen

Vers 25 De meeste vertalingen hebben “onkruid”, maar het Griekse woord zizania is de meervoudsvorm van dolik (Lolium temulentum), een grassoort die nauw verwant is aan het in ons land bekende Raaigras (Lolium perenne) en giftig is. Tot halverwege de vorige eeuw kwam dit veelvuldig voor in Galilea, de streek waar deze gelijkenis werd verteld.

Vers 26 letterlijk staat er “maken” wat in deze context betekent dat de vrucht zich begon te ontwikkelen.

Vers 27 Het woord doýlos̱ wordt vaak vertaald met slaaf of dienstknecht. Omdat in deze periode het niet puur om slaven (mensen die niets over hun eigen lichaam te zeggen hadden) gaat, maar vaak ook vrijgekochte slaven die besloten om bij hun vroegere eigenaar te blijven werken kan het best vertaald worden als “lijfeigene”. In Nederland werden ze vroeger vaak “horigen” genoemd.

Vers 29 Omdat zowel de tarwe als de dolik in een veld vrij dicht bij elkaar staan zou het betekenen dat bij het wieden van de dolik ook de tarwe uit de grond getrokken kon worden. Wat zou inhouden dat hierdoor de wortels van de tarwe beschadigd konden worden en de groei van het graan zou remmen. Tegen de oogsttijd maakt het niet meer zoveel uit om dan eerst de dolik te wieden, omdat direct daarna de tarwe geoogst zou worden. Nadeel van deze methode is dat een deel van de graankorrels van de dolik op de grond vielen en het volgende jaar weer zou opgroeien. Vandaar dat het een hardnekkig onkruid was dat tot halverwege de vorige eeuw op de akkers bleef. Met de moderne landbouwtechnieken werd dit probleem opgelost.

Tags: , , , ,

De woestijn en de dorre vlakte zullen zich verheugen,
de wildernis zal zich verblijden en bloeien met bolplanten.

Jesaja 35:1

Overal waar je in Nederland komt zie je wel iets groeien en het hele jaar door zien we dat er in de natuur iets groens is. In Israël en dan vooral in de woestijnachtige omgevingen is dat niet het geval, alleen in het voorjaar zien we dat na de regenbuien alles bloeit. Zelfs in de woestijnen zie je dan de planten uitspruiten en bloeien om daarna na een paar dagen weer te verwelken om het volgende jaar weer uit te komen. In gecultiveerde woestijngebieden bij Bersheba zie je grote graanvelden, terwijl een paar maanden later het een dorre vlakte is.

In de Judea woestijn zie je papaverachtigen zoals de Adonis palaestina Boiss., maar ook ooievaarsbekken (zie foto linksonder). Veel vertalingen hebben geworsteld met het laatste woord in deze tekst en welke ik heb vertaald met “bolplanten”, zo hebben de SV en de HSV het vertaald met “roos”, terwijl de WV “krokus” heeft en de NBV “lelie”. Dat komt omdat het Hebreeuwse woord ḇaṣṣeleṯ in de Bijbel alleen nog voorkomt in Hooglied 2:1 en dan in combinatie met Saron, een plaats/streek die ook in het volgende vers van Jesaja (35:2) wordt genoemd. Etymologen willen dit woord afleiden van beṣel (‘bol’) en hamats (‘prikkelende’of ‘prachtig’). Dat zou betekenen dat het gaat om een bolplant en biologen hebben verschillende planten aangewezen waar het om zou gaan, met als enige gemeenschappelijke kenmerk dat het bij hun determinatie om bolplanten gaat. Kijken we naar het Hebreeuws dan valt op dat in dit vers het om een categorische aanduiding gaat “met alle [soorten] ḇaṣṣeleṯ” (of “met al het gebloemte”), het lijkt mij dan ook logisch dat we niet zozeer aan één plant moeten denken, maar meer aan een groep planten en vandaar dat ik het heb vertaald met “bolplanten”. Daarbij moge het duidelijk zijn, dat zelfs dit nog niet de volledige lading dekt, want in de woestijn bloeien ook andere planten zoals op de foto afgebeeld en die geen bolplanten zijn.

Tags: , ,

Knoflook

Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.

Numeri 11:5

De afgelopen jaren heb ik al heel wat geschreven over allerlei planten en bomen. Vanochtend had ik een gesprek met onze dominee en natuurlijk, hoe kon het ook anders, ging het over planten in de Bijbel. Het viel me toen op dat ik nog niet eerder had geschreven over de knoflook. Niet zo verwonderlijk, maar het komt alleen in bovengenoemde tekst voor. Toch zijn er een aantal leuke dingen over te vertellen.

We lezen dat de Joden in de woestijn hieraan dachten en het valt op dat ze meerdere look-achtige soorten noemen, het eerste woord wat de SV met “look” is vertaald wordt zeer waarschijnlijk “prei” mee bedoeld, terwijl de “ajuinen” een verouderd woord voor uien is en de laatste is de knoflook en blijkbaar werden die veel gegeten in Egypte. Dit wordt bevestigd door Herodotos (Historiën, ii.125) die schreef dat het samen met Rammenas (Raphanus sativus) en de Ui (Allium cepa) het normale voedsel was voor de Egyptische arbeiders.

Maar los van dat, de Joden waren er verzot op en wordt meermalen in de Talmud als kruid voorgeschreven en dat heeft er zelfs toe bijgedragen dat de Joden in veel Europese steden de bijnaam “stinkende Jood” kregen. Ook is er een volksvertelling waarin wordt verhaalt dat toen de engel Gabriël de boodschap aan Maria bracht, zij huilde van vreugde. Iedere traan die op de grond viel, veranderde in een Madelief (Bellis perennis L.). Toen de duivel dit zag, werd hij zo woedend dat hij al deze Madeliefjes uit de grond wilde trekken. Ieder Madeliefje dat hij aanraakte veranderde in de stinkende knoflook.

Tags: ,

Veel mensen weten dat ik een kleine Bijbeltuin heb, waarin ik allerlei planten en bomen uit de Bijbel heb staan en regelmatig krijg ik dan ook reacties, vragen of in het beste geval zaad van een plant die volgens hen vooral in mijn tuin moet staan. Zo kreeg ik van de week van een buurvrouw een koffiefilterzakje met daarin wat speciale zaden. De omschrijving was veelzeggend “heilige boontjes!”

Het bleek om een variëteit van de gewone tuinboon te gaan, want de “heilige boon” is een echt bestaande plant (Phaseolus vulgaris monstrans) die ook wel Heilige Sacramentsboon word genoemd, waarbij een belangrijk kenmerk is dat rondom de navel een engel of een monstrans te zien is. Naar een legende werd een monstrans in een kerk te Doubs (Frankrijk) gestolen en in een tuin begraven. Op die plek werden gewone boontjes geplant, echter toen de bonen eraan kwam vertoonden die allemaal een bont vlekje bij de navel dat de vorm van een monstrans had. Dat verwonderde iedereen en men groef en dolf en vond al snel het gestolen voorwerp. Sindsdien bleef men deze bonen planten en werden H. Sacramentsbonen genoemd. In werkelijkheid werd het Heilige Boontje pas in de 17de eeuw door de Spaanse veroveraars vanuit Zuid-Amerika mee teruggevoerd naar Europa. De oorzaak dat deze bonte vlekjes steeds weer terugkomen komt omdat de plant een zelfbestuiver is, wat betekent dat deze eigenschap altijd mee zal gaan naar de volgende generatie bonen. Er worden dus geen eigenschappen van andere rassen ingekruisd.

Maar hoe leuk dit allemaal is, in mijn tuin worden alleen planten gezet die ook in de Bijbel voorkomen en gelukkig blijkt dat de “boon” tweemaal wordt genoemd in de Bijbel (2 Sam 17:28; Ezech. 4:9). Dus genoeg reden om volgend jaar deze in mijn tuin te plaatsen en ervan te genieten.

Tags: ,

Melk van de Vijgenboom

Van de week plukte ik enkele vijgen uit de tuin en daarbij kwam wat wit-geelachtig sap vrij. Direct geïnteresseerd vroeg ik me af of dit iets te maken had met een Romeinse mythe. Voor ik daar echter op inga eerst iets over dit melksap dat vroeger onder andere werd gebruikt als middel bij kiespijn, maar ook voor verwijdering van wratten. Dit laatste is ook de reden waarom het melksap als het op de huid terecht komt irritaties kan geven en in sommige gevallen zelfs blaren. Toch heeft dit melksap of latex ook zijn voordelen, want van van enkele familieleden van de vijg, de Indiase Banyan (F. bengalensis) en de Indische Rubber Plant, wordt het gebruikt om er rubber van te maken.

Volgens de Romeinse mythe werden Romulus en Remus gevonden onder een vijgenboom, welke de Ficus Ruminalis werd genoemd. En volgens de overlevering zou men deze boom ook nu nog kunnen vinden in een kleine tuin bij de Forum Romanum. Het Latijnse woord Ruminalis is afgeleid van rumis of ruma wat “borst” betekent. De boom was dan ook gewijd aan de godin Rumina en de Romeinen zagen het dan ook als een slecht voorteken als de boom begon te lacteren (Pliny, Natural History 15.77) en als de boom doodging werd deze herplant (Tacitus, Annales 13.58). Hieruit blijkt dat volgens de mythe dit melksap in verband werd gebracht, niet alleen met deze godin, maar ook met de tweeling die onder deze vijgenboom door een wolvin de borst werden gegeven.

Tot zover heeft dit alles nog weinig met de Bijbel te maken. Echter als de vijgen rijp worden dan wordt dit melksap omgezet naar suikers en daarvan lezen we in de geschiedenis van de zieke Hizkia. De profeet Jesaja legt vijgenkoeken op de wond en Hizkia geneest. De oorzaak is dat door de geconcentreerde suikeroplossingen alle pus uit de etterende wonden wordt gezogen (met de schadelijke bacteriën!). De ziekmakende microben sneuvelen daarbij door de hoge suikerconcentraties. Dat is ook de reden waarom gekonfijte conserven niet snel bederven. In ieder geval de wond wordt hierdoor weer schoon en in zekere mate steriel, waardoor er genezing optreed.

Tags:

De ceder

U die zetelt op de Libanon, genesteld in de ceders,
hoe zult u zuchten als weeën u overkomen, smart als van een barende vrouw.

Jeremia 22:23 (HSV)

Een van de mooiste bomen die worden genoemd in het Bijbelboek Jeremia is naar mijn mening de ceder. En deze tekst ga ik dan ook noemen in mijn lezing van aanstaande zondag.

De ceder is een imposante boom, als we naar de foto kijken dan zien we bij de stam een volwassen man van tegen de twee meter staan. Hoe dik sommige takken zijn blijkt als we naar de top kijken, waar tijdens een blikseminslag een tak was geraakt met een doorsnee van 1,5 á 2 meter. Je kunt je voorstellen dat in een bos vol met dit soort bomen je je veilig voelt als je in de top zit. En dat is wat Jeremia hier probeert te vertellen, ondanks dat die bomen er stevig uit zien is het toch niet veilig, de bliksem kan inslaan, of de boom zelf kan omgehakt worden.

Waarom gebruikt Jeremia de ceder als voorbeeld, de tekst gaat over de bewoners van Jeruzalem en in de eeuwen daarvoor hebben ze schitterende bouwwerken gemaakt met daarin heel veel cederhout, waaronder met name het koninklijk paleis (zie Jer. 21:14; 22:6, 14). Het is dan ook een verborgen zinspeling op de stad Jeruzalem die zich op dat moment ook nog veilig voelt, daar op de toppen van hun bergen in hun cederhouten huizen.

Tags: ,

En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.

Exodus 3:2

Deze passage in de Bijbel waar God verscheen aan Mozes is een van de bekendere. Op de vraag wat voor soort plant wordt bedoeld met de brandende braambos wordt het plotseling een stuk onduidelijker. In de loop der jaren zijn er vele verklaringen gezocht wat voor soort struik dit zou zijn geweest. Hierbij moeten we bedenken dat Mozes, niet alleen na zijn jarenlange ervaring als schaapherder in de woestijn, maar ook door zijn goede opleiding als Egyptisch prins, een goede kennis moet hebben gehad van de flora.

De meest gangbare verklaring (Bruijel, F.J., Tijden en Jaren, p. 198) is dat het zou gaan om de Braam (Rubus ulmifolius), men baseert zich dan op de LXX en het Nieuwe Testament (Mk. 12:26; Lk. 20:37; Hand. 7:30; 7:35) waar het Griekse βάτος batos wordt gebruikt wat in eerste instantie Braam betekent (Henry George Liddell. Robert Scott. A Greek-English Lexicon. batos), maar ook de meer algemenere betekenis van ‘doornstruik’ heeft (SBNT, βάτος batos : Het zelfstandig naamwoord (mnl./vrl.) batos betekent ‘doornstruik, braamstruik’). Dat het om een Braam zou gaan is niet waarschijnlijk daar deze struik niet voorkomt in woestijnachtige gebieden, gezocht zal dan ook moeten worden naar een doornachtige struik. Volgens Tristram (The Natural History of the Bible, p. 392) wordt met סנה seneh, de brandende braambos (Ex. 3:2, 3, 4; Deut. 33:16), de Acacia nilotica bedoeld, omdat deze in het Egyptisch sunt en in het Arabisch seyal wordt genoemd.

Een opmerkelijk voorbeeld van een afwijkende vertaalwijze vinden we in de Naardense Bijbel van Pieter Oussoren. Die noemt het “Sinaï-doorn”, omdat de stam van het woord volgens hem duidelijk verwantschap vertoont met Sinaï. Als theoloog is hij niet geïnteresseerd in welke plant mogelijk bedoeld is, maar naar de bedoeling van het woord zelf. Het woord verwijst naar de plek waar de tegenstellingen worden opgeheven, de plek van de eenheid.

Tags: , ,

« Older entries