‹ Christelijke pseudowetenschap
Een vervalsing doorgelicht, de Paraiba-inscriptie
Gepubliceerd op 20-06-2019

We hadden in de vorige blog gesteld dat de Paraiba-inscriptie een vervalsing is en kregen de terechte vraag waarom we dat zo zeker weten. Voor deze ene keer zullen we het in detail uitleggen, omdat dit het archetype van een vervalsing is. Veel pseudowetenschappers willen op basis van deze inscriptie aantonen dat Brazilië het Ofir uit de Bijbel is.

Een brief

In 1872 kreeg Cândido José de Araújo Viana, de Marquise van Sapucaí en president van het Instituto Histórico e Geográfico Brasiliero in Rio de Janeiro (Brazilië) een brief en een tekening met daarop een inscriptie van een zekere Joaquim Alves da Costa. Hij geeft de brief aan de botanist Ladislau de Souza Mello Netto die kennis had van de Hebreeuwse taal en Punische archeologie. Uit de brief valt op te maken dat deze inscriptie is gevonden bij Pouso Alto, welke in de buurt van Paraíba ligt.

Deze Netto herkent het schrift als Fenicisch en besluit een kopie hiervan op te sturen naar zijn vroegere docent Ernest Renan die een expert was van de Semitische talen. Deze Renan aarzelde niet om stellen dat de veronderstelde inscriptie een vervalsing was. Was het hierbij gebleven dan had niemand er verder ooit over gesproken. Edoch de tekening van de inscriptie werd in diverse tijdschriften geplaatst. Konstantin Schlottmann schreef een zeer kritisch artikel ("Die sogenannte Inschrift von Parahyba" in Zeitschriften der Deutschen Morgenländischen Gesellschaft 28, p. 481-487) en waarin hij nadrukkelijk zich afvraagt of de wetenschap ook nog de oorspronkelijke inscriptie te zien krijgt en niet een afschrift daarvan.

Nu is er nog een probleem, Netto heeft diverse pogingen gedaan om de briefschrijver, Joaquim Alves da Costa, te vinden en daarmee de oorspronkelijke inscriptie in bezit te krijgen. Deze pogingen waren vruchteloos en Netto concludeerde in zijn rapport Lettre à Monsieur Ernest Renan à propos de l’Inscription Phénicienne Apocryphe soumise en 1872 à l’Institut historique, géographiqe et ethnographique du Brésil dat het om een hoax/vervalsing ging en dat daarmee de case afgesloten was.

Nu wil het geval dat vele decennia later Jules Piccus (1920-1997), hoogleraar Romaanse talen aan de universiteit van Massachusetts (Amherst, VS), in 1967 een plakboek kocht bij een rommelverkoop in Providence (Rhode Island, VS), met daarin de correspondentie die Netto stuurde naar Wilberforce Eames (1855-1937), een bibliothecaris bij de New York Public Library. In deze correspondentie was ook een kopie van onze inscriptie en die Piccus vervolgens stuurde naar Cyrus Herzl Gordon. In tegenstelling tot Renan meende hij dat de Paraíba-inscriptie elementen bevatte van een Fenicische stijl die onbekend waren in de negentiende eeuw en concludeerde op basis daarvan dat de inscriptie echt was. Hij gaf de volgende vertaling:

We are Sidonian Canaanites from the city of the Mercantile King. We were cast up on this distant shore, a land of mountains. We sacrificed a youth to the celestial gods and goddesses in the nineteenth year of our mighty King Hiram and embarked from Ezion-geber into the Red Sea. We voyaged with ten ships and were at sea together for two years around Africa. Then we were separated by the hand of Baal and were no longer with our companions. So we have come here, twelve men and three women, into New Shore. Am I, the Admiral, a man who would flee? Nay! May the celestial gods and goddesses favour us well!

Ondanks dat Gordon overtuigd was van de echtheid van de inscriptie kreeg hij geen steun van zijn collegae en geraakte in een korte maar felle discussie met Frank Moore Cross Jr. welke beroemd is vanwege zijn kennis van Semitische talen en vertaling van diverse Dode Zee-rollen.

De definitieve ontmaskering

Zowel Schlottmann als Cross hebben zich vooral op het schrift en de tekst gericht en kwamen hierdoor allebei tot de overtuiging dat het om een vervalsing ging. We zullen enkele van hun argumenten behandelen.

Externe argumenten

Er zijn diverse externe argumenten die deze inscriptie onbetrouwbaar maken. Zo blijft het zeer vreemd dat zowel de oorspronkelijke inscriptie als degene die deze heeft gevonden nooit zijn gevonden. Geraldo Irenêo Joffily ging zelfs zover om Netto te beschuldigen dat die de vervalsing had gemaakt om op die manier zijn eigen carrière te bevorderen en om in de gunst bij keizer Dom Pedro II van Brazilië te komen (Joffily, p. 22-36).

Ook de conditie van de tekst is zeer verdacht. Iedere letter in de kopie is zeer duidelijk, zonder dat er beschadigingen zijn. Iets wat je toch zou verwachten van een tekst die bijna 3000 jaar oud is. Ook komt komt het verdacht over dat iedere letter van een type is die voorkomt in alle gevonden inscripties van voor 1870 of in de standaard tabellen in grammatica’s uit die tijd. Dit zou inhouden dat de oorspronkelijke inscriptie enorm goed bewaard is gebleven, en verder, dat degene die het overschreef een zeer goede kennis van het Fenicisch had of uiterst accuraat was met het overschrijven.

De timing van de vondst was perfect. Keizer Dom Pedro was zeer geliefd bij wetenschappers vanwege zijn devotie voor cultuur en wetenschap, wat onder andere blijkt uit de hervorming van het Instituto Histórico. Het jaar van de vondst, 1872, valt heel toevallig samen met de terugkeer van de keizer uit het Nabije Oosten. Bovendien was kort daarvoor in 1870 de Mesha-stele gevonden en in 1871 de Tempel-stele in Jeruzalem. Een schitterende inspiratiebron voor vervalsers die een hoogseizoen beleefden. De bekendste vervalsingen uit die tijd zijn de Shapira Strips (cf. Schlottmann, p. 481).

Verder valt het op dat in de tekst enorm veel parallellen zijn te vinden die we in Bijbelse of klassieke teksten tegenkomen. Bijvoorbeeld het offer op zee van een jongeman aan de goden doet denken aan de geschiedenis van Jona (Jona 1:12-15). Dat ze de haven van koning Salomo gebruikten (1 Kon. 9:26), waarbij dan weer wel opmerkelijk is dat de Bijbelse Hiram koning van Tyrus was en niet van Sidon. Ook is het zeer opvallend dat de tijdsduur en route om Afrika gelijk is aan die van Herodotus (Historiën, 4.42), met dit verschil dat bij Herodotus ze via de Middellandse Zee richting Egypte gingen en dat het niet om de Bijbelse Hiram, maar Hiram II ging. Al deze parallellen zijn zeer verdacht daar in andere inscripties zelden tot nooit zoveel parallellen staan.

Tekstuele argumenten


Paraíba-inscriptie Copyrighted

De vertaling op basis van de inscriptie die hierboven is weergegeven:

  1. Wij zijn zonen van Kanaän uit Sidon, uit de stad van de koning. Een storm dreef
  2. ons op deze verre kust, een eiland van bergen, en we gaven een jongeman aan de goden
  3. en godinnen, in het negentiende jaar van Hiram, onze grote koning.
  4. We gingen van Ezeon-geber aan de Rode Zee en vertrokken met tien schepen.
  5. We waren twee jaar samen op zee en cirkelden rond het land behorende bij Ham, maar werden gescheiden
  6. van de [beschermende] kracht van Baal en waren niet langer bij ons gezelschap. We arriveerden met twaalf
  7. mannen en drie vrouwen op de nieuwe oever waarvan ik Mat'aštart de kapi-
  8. tein, bezit heb genomen. Mogen de goden en godinnen ons genade schenken.

In de laatste regels komen niet minder dan vijf haplografieën voor. Hoewel het een bekend verschijnsel is in het Fenicisch is de frequentie in deze inscriptie extreem hoog en zijn er geen andere teksten waarin dit in deze mate voorkomt.

Aan het eind van de eerste zin, begin tweede staat de hifil hšlknʾ, echter een hifil komt niet voor in het Fenicisch of Punisch in welke nl. de yiqtol werd gebruikt. Wel moet gezegd worden dat in Gesenius’ Scripturae linguaeque phoeniciae… en andere Franse werken uit de 19de eeuw dit niet wordt vermeld. De vervalser kon dit dus op dat moment niet weten.

In regel 2 en 8 komen we ’lywnm w ’lywnt “goden en godinnen” tegen. Dit is een zeer unieke constructie de we nergens in het Fenicisch of in een andere Semitische taal tegenkomen. Wel komt het voor als voorbeeld in Auguste Célestin Judas’ Étude démonstrative de la langue phénicienne et de la langue libyque (p. 9-10) en wat doet vermoeden dat de vervalser dit werk heeft gebruikt.

In regel 2 komen we het zelfstandige naamwoord vrouwelijk ’î "eiland" tegen en welke we in eenzelfde context tegenkomen bij de profeet Jesaja als hij over Tyrus spreekt (Jes. 23:2; Schlottmann, p. 485).

Ook interessant is in regel 7 de naam Mat‘aštart welke de naam is van de kapitein zoals uit het vervolg blijkt. Deze naam is namelijk vrouwelijk en naar analogie van soortgelijke Fenicische namen in het Grieks overgezet (F.M. Cross, p. 452).

Wat betreft de individuele letters blijkt dat de paleografische kenmerken van de alef overeenkomen met inscripties van de 9de eeuw. De bet komt voor in 4de-2de eeuw Punisch (cf. de voorbeelden van Judas en dan vooral de eerste vier). De he zoals we die tegenkomen in de inscriptie raakte in de 7de-6de eeuw uit de mode en werd toen vervangen door het Ešmun'azor type. Echter ook hier zien we dat de gebruikte he als eerste voorkomt in de lijst van Judas. Ook de andere gebruikte letters hebben ieder hun eigenaardigheden waarbij sommige letters zelfs alleen op alfabetlijsten in grammatica's voorkomen (F.M. Cross, p. 454-460; Schlottmann, p. 482). Dit is erg vreemd, niet alleen omdat er geen documenten zijn waarin dit gebeurd, maar ook tegenwoordig zal iemand die een tekst schrijft niet allerlei verschillende lettertypen door elkaar gebruiken. Alleen dit is al een overtuigend bewijs dat het om fraude gaat (F.M. Cross, p. 460).

Conclusie

Nu we weten dat de Paraíba-inscriptie een vervalsing is, is het goed om nog eens te kijken welke fouten zijn gemaakt.

Als eerste is er alleen een afschrift, ondanks alle pogingen is nooit het origineel gevonden. Zelfs degene die het afschrift had opgestuurd is nooit gevonden. Iedereen is in staat om vervalsingen te maken en daarom is het belangrijk om altijd over het oorspronkelijke materiaal te beschikken. Hieraan is niet voldaan.

Ten tweede, ook al bezitten we het oorspronkelijke materiaal, dan is het nog steeds heel belangrijk om de oorspronkelijke vindplaats te weten, zodat ter plekke onderzoek gedaan kan worden en geconstateerd kan worden of het echt is. Ook hieraan is niet voldaan.

Ten derde, geleerden als Renan en Schlottmann gaven al aan dat het om een vervalsing ging en het is dan ook verwonderlijk dat bij de vondst van een afschrift in een plakboek plotseling opnieuw aandacht eraan wordt besteed. Want via een afschrift kan men nog steeds niet bepalen of het om een vervalsing gaat of niet. Erger is dat Gordon zelfs niet het werk van Schlottman noemt en daarmee negeert dat deze inscriptie al die tijd gewoon beschikbaar was. We noemen het maar enthousiasme, maar het blijft een ernstig falen van een toch gerenommeerd geleerde.

Ten vierde, bij wetenschappelijk onderzoek mag men verwachten dat er een zekere progressie is. Vooral als er veel over wordt geschreven. Rondom de Paraíba-inscriptie zien we geen enkele progressie, er zijn na meer dan honderd jaar geen nieuwe ontdekkingen gedaan, zijn geen nieuwe inzichten gekomen. Er is tot heden geen enkel artefact gevonden van de Feniciërs in Brazilië.

Literatuur:


Tags: Hoax, Vervalsingen, Pseudowetenschap
Gerelateerde onderwerpen: Hoax, Vervalsingen, Pseudowetenschap

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel