‹ Dubbel vruchtbaarProblemen van een mobiel brandofferaltaar ›
De acacia
Gepubliceerd op 09-08-2013

Ik zal in de woestijn de ceder zetten, de acacia, de mirt en de oliehoudende boom. Ik zal in de wildernis de cipres plaatsen, samen met plataan en dennenboom,

Jes. 41:19 (HSV)

De laatste tijd ben ik me aan het voorbereiden voor een lezing over de Tabernakel en een van de materialen die werden gebruikt was het hout van de acacia. Omdat ik ook al jaren bezig ben met het schrijven van een Bijbelse flora, waren dit goede redenen om eens een goed onderzoek te doen naar deze boom. Al gauw bleek dat, zoals met ieder onderzoek, dat dit meer tijd zou kosten dan ik al had verwacht. In de Bijbel zelf is er maar één tekst die gaat over de boom (Jes. 41:19), alle anderen gaan over het hout en waarvoor het wordt gebruikt of zijn plaatsnamen met daarin deze naam.

Ga je kijken naar wat voor soort boom het is, dan blijkt dat het een compleet geslacht is van ruim 1300 soorten die voorkomen in Afrika, Australië, Noord-Amerika en Zuid-Amerika. Verder onderzoek leerde al gauw dat er een behoorlijke discussie is geweest of deze 1300 bomen wel tot één geslacht behoren met als gevolg dat dit geslacht is opgesplitst in vijf andere geslachten: Acacia, Vachellia, Senegalia, Acaciella en Mariosousa. Omdat de naam ooit door door de Griekse botanist-fysicus Pedanius Dioscorides (ca. 40-90) is gegeven aan de Acacia niloticus in zijn boek Materia Medica en daarmee de naamgever van dit geslacht, zou je verwachten dat bij deze opsplitsing de naam Acacia gereserveerd zou blijven voor deze soort. Helaas is dit niet het geval en de acacia-soorten die in aanmerking komen voor de boom die in de Bijbel wordt genoemd behoort tegenwoordig officieel tot het geslacht Vachellia en mogen dus eigenlijk niet meer Acacia worden genoemd. Nu is hiermee niet alle problematiek opgelost, want in veel populair theologische boeken die gaan over de tabernakel wordt vaak gesproken over de Robinia (Robinia pseudoacacia), ook wel valse acacia genoemd. Deze boom behoort tot een totaal ander geslacht en heeft dan ook niets van doen met de Bijbelse acacia.

Met deze basiskennis kunnen we dan eindelijk gaan beginnen met de studie over hoe het hout werd gebruikt in de tabernakel en waarom. Het moge duidelijk zijn dat al veel boeken dan plotseling afvallen omdat ze het niet over de acacia maar over de valse acacia hebben. De vraag die we ons dan ook moeten stellen is welke acacia-soorten komen wel in aanmerking. De Hebreeërs bevonden zich voornamelijk tijdens hun Exodus in de Sinaï woestijn en Negeb, daarnaast mogen we ervan uitgaan dat ze ook hout hebben meegenomen uit Egypte. In deze gebieden komen met name de Acacia seijal en de kleinere Acacia nilotica voor, de laatste is ook te vinden langs de Jordaan. De Acacia serissa en de Acacia tortilis komen voornamelijk in de zuidelijke wadis voor. Tot slot komen de Acacia farnesiana, Acacia cyanophylla en de Acacia arabica met name voor aan de kust van Israël.

Het materiaal van al deze volwassen exemplaren zijn geschikt om te verwerken in de Tabernakel. Het hout is sterk en het rot bijna niet. Verder is het belangrijk om te weten dat deze bomen tijdens de Exodus steeds voorhanden zijn en dat hierdoor men in staat was om eventuele beschadigingen van de tabernakel snel te kunnen repareren.


Tags: Acacia, Flora
Gerelateerde onderwerpen: Acacia

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs