G3056 λόγος
woord, toespraak, rede, rekening, beschouwing, leerstelling, onderwijs
Taal: Grieks

Onderwerpen

Onderwijs, Redevoering, Woorden,

Statistieken

Komt 331x voor in 24 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

'logos, zn m van λέγω G03004; TDNT - 4:69,505;


1) van spraak 1a) een woord, geuit door een levende stem, belichaamt een begrip 1b) wat iemand gezegd heeft 1b1) een woord 1b2) de woorden van God 1b3) besluit, opdracht, bevel 1b4) van de morele voorschriften door God gegeven 1b5) profetie in het O.T., gegeven door de profeten 1b6) wat uitgesproken is, een gedachte, verklaring, aforisme, belangrijk gezegde, spreuk, stelregel 1c) toespraak 1c1) de daad van spreken 1c2) het spraakvermogen, bekwaamheid en ervaring in het spreken 1c3) een soort of stijl van spreken 1c4) een langer durende toespraak - onderricht 1d) leerstelling, onderwijs 1e) alles wat in woorden weergegeven wordt: verhaal, vertelling 1f) zaak die besproken wordt, aangelegenheid, geval, proces 1g) de zaak waarover gesproken wordt: gebeurtenis, daad 2) het gebruik met betrekking tot het VERSTAND alleen 2a) rede, het metale vermogen om te denken, te overwegen, te beredeneren, te berekenen 2b) rekening, d.w.z. overweging, beschouwing 2c) rekening, d.w.z. berekening 2d) rekenschap, d.w.z. verantwoording of uitleg met betrekking tot een beoordeling 2e) betrekking, d.w.z. met wie wij als rechter in betrekking staan 2f) reden, oorzaak, grond 3) In Johannes duidt het op het Woord van God, Jezus Christus, de persoonlijke wijsheid en macht in vereniging met God, Zijn dienaar in de schepping en de regering van het heelal, de oorzaak van al het leven in de wereld, zowel fysiek als ethisch, die om de mensen heil te verschaffen de menselijke natuur van Jezus de Messias heeft aangenomen, de tweede persoon in de Godheid, zoals duidelijk bleek uit Zijn woorden en daden.

De Griekse filosoof Heraclitus was de eerste die rond 600 v.C. de term Logos gebruikte om de goddelijke rede of het plan aan te duiden waardoor een veranderend heelal geordend wordt. Dit woord paste heel goed in de bedoeling van Johannes in Joh. 1.


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

λόγος, -ου, ὁ (< λέγω), דָּבָר H1697, also for אֵמֶר H561, מִלָּה H4405, etc.;] I. Of that by which the inward thought is expressed, Lat. oratio, sermo, vox, verbum 1. a word, not in the grammatical sense of a mere name (ἔπος, ὄνομα, ῥῆμα), but a word as embodying a conception or idea: Mt 8:8, Lk 7:7, I Co 14:9, 19, He 12:19, al. 2. a saying, statement, declaration: Mt 19:22 (T om.), Mk 5:36 7:29, Lk 1:29, Jo 2:22 6:60, Ac 7:29, al.; c. gen. attrib., Ac 13:15, Ro 9:9, He 7:28, al.; of the sayings, commands, promises, etc., of teachers, Mt 7:24 10:14, Mk 8:38, Lk 9:44, Jo 14:24, al.; λ. κενοί, Eph 5:6; ἀληθινοί, Re 19:9; πιστοί, Re 22:6 decrees and promises of God, ὁ λ. τ. θεοῦ, the word of God: Mk 7:13, Jo 10:35, Ro 13:9, I Co 14:36, Phl 1:14, al.; absol., ὁ λ., Mt 13:21, 22, Mk 16:[20], Lk 1:2, Ac 6:4, He 4:12, al. 3. speech, discourse: Ac 14:12, II Co 10:10, Ja 3:2; opp. to ἐπιστολή, II Th 2:15; disting. from σοφία, I Co 2:1; ἀναστροφή, I Ti 4:12; δύναμις, I Co 4:19, I Th 1:5; ἔργον, Ro 15:18; οὐδενὸς λ. τίμιον (not worthy of mention), Ac 20:24; of the faculty of speech, Lk 24:19, II Co 11:6; of the style of speech, Mt 5:37, I Co 1:5; of instruction, Col 4:3, I Pe 3:1; c. gen. pers., Jo 5:24 8:52, Ac 2:41, al.; ὁ λ. ὁ ἐμός, Jo 8:31; c. gen. obj. (τ.) ἀληθείας, II Co 6:7, Col 1:5, Ja 1:18; τ. καταλλαγῆς, II Co 5:19; τ. σταυροῦ, I Co 1:18; of mere talk, I Co 4:19, 20, Col 2:23, I Jo 3:18; of the talk which one occasions, hence, repute: Col 2:23. 4. subject-matter, hence, teaching, doctrine: Ac 18:15, II Ti 2:17, al.; esp. of Christian doctrine: Mt 13:20-23, Mk 4:14-20 8:32, Lk 1:2, Ac 8:4, Ga 6:6, I Th 1:6, al.; c. gen. pers., τ. θεοῦ, Lk 5:1, Jo 17:6, Ac 4:29, I Co 14:36, I Jo 1:10, Re 6:9, al.; τ. Κυρίου, Ac 8:25, I Th 1:8, al.; τ. Χριστοῦ, Col 3:16, Re 3:8; c. gen. appos., Ac 15:7; c. gen. attrib., He 5:13. 5. a story, tale, narrative: Mt 28:15, Jo 21:23, Ac 1:1 11:22; seq. περί, Lk 5:15. 6. That which is spoken of (Plat., al.; v. Kennedy, Sources, 124), matter, affair, thing: Mt 21:24, Mk 1:45 11:29, Lk 20:3, Ac 8:21; of a matter in dispute, as a case or suit at law, Ac 19:38; pl. (I Mac 7:33, al.), Lk 1:4. II. Of the inward thought itself, Lat. ratio 1. reason (a) of the mental faculty (Hdt., Plat., al.): κατὰ λόγον, Ac 18:14; (b) a reason, cause: τίνι λόγῳ, Ac 10:29; παρεκτὸς λόγου πορνείας, Mt 5:32 19:9, WH, mg., R, mg. 2. account (a) regard: Ac 20:24, Rec.; (b) reckoning: Phl 4:15, 17; συναίρειν (q.v.) λ., Mt 18:23 25:19; in forensic sense, Ro 14:12, He 13:17, I Pe 4:5; c. gen. rei, Lk 16:2; seq. περί, Mt 12:36, Ac 19:40, I Pe 3:15. 3. proportion, analogy: Phl 2:16 (Field, Notes, 193 f.). III. ὁ λ., the Divine Word or Logos: Jo 1:1, 14; τ. ζωῆς, I Jo 1:1; τ. θεοῦ, Re 19:13 (v. Westc, Swete, CGT, in ll.; reff. in Artt., Logos, DB, DCG).
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἄλογος G249 "redeloos, onzinnig, ongerijmd"; Grieks ἀναλογία G356 "verhouding (juiste)"; Grieks ἀπολογέομαι G626 "verdedigen (zich)"; Grieks βαττολογέω G945 "stotteren"; Grieks γενεαλογέω G1075 "geslachtsregister"; Grieks δίλογος G1351 "tweetongig, onbetrouwbaar"; Grieks εὐλογέω G2127 "loven, zegenen, roemen"; Grieks κακολογέω G2551 "vervloeken, kwaadspreken van, beschimpen, belasteren"; Grieks λέγω G3004 "zeggen, spreken"; Grieks λογία G3048 "collecte"; Grieks λογίζομαι G3049 "rekenen, berekenen"; Grieks λογικός G3050 "redelijk, logisch"; Grieks λόγιος G3052 "geleerd"; Grieks λογομαχέω G3054 "twisten"; Grieks ὁμολογέω G3670 "toegeven, instemmen met"; Grieks πιθανολογία G4086 "overredingskunst, aannemelijke bewijsvoering"; Grieks πολυλογία G4180 "spreken (veel)"; Grieks Φιλόλογος G5378 "Philologus";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden en accessoires - NLSieraden en accessoires - NL