Goferhout
גֹּפֶר H1613 "goferhout",

Zie ook: Hout,

Goferhout (גּפר gôpher); Komt alleen in Genesis 6:14 voor waar Noach de opdracht krijgt “Maak voor uzelf een ark van goferhout; in vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem van binnen en van buiten met pek bestrijken.” Het woord  komt alleen in deze passage voor. Kijken we naar de verschillende vertalingen dan zien we dat de SV en de NBG-1951 “goferhout” gebruiken, de Lutherse vertaling “dennenhout” en de Canisius vertaling en de WV95 “pijnhout” en de Groot Nieuws Bijbel het heeft over “cipressenhout” en Het Boek over “acaciahout”. Slaan we de joodse vertalingen van Onderwijzer, Vredenburg en Dasberg erop na dan is het weer eenstemmig “goferhout”. We zien dat de vertalers het Hebreeuwse woord gôpher of niet vertalen, of een 'willekeurige' boom noemen.

Volgens sommigen zou het gaan om de Cipres (Cupressus sempervirens L.; Tristram, p. 356; Balfour, p. 30; GNB96 “Maak daarom een boot van cipressenhout”; Naardense Vertaling “maak jij een ark van stammen cipreshout;”). Zij baseren zich op het Grieks κυπάρισσος welke lijkt op het Hebreeuwse gôpher vandaar uit redenerend dat dit hout uitstekend geschikt is voor de scheepsbouw en tot slot er van uitgaand dat deze boom tegen talrijk voorkomt in het gebied van Armenië en Assyrië (Calmet, p. 464; A.M. Rehwinkel, p. 36), het gebied waar de ark van Noach belandde, hierbij vergetend dat het landschap voor de zondvloed er geheel ander uitgezien kan hebben.

Anderen gaat uit van de Pijnboom (Pinus pinea; NBV, WV95; In Nederland liet Johan Huibers zich door deze tekst inspireren en bouwde zijn replica van de ark op basis van de gegevens uit de NBV).

Een andere theorie gaat er vanuit dat de ark (deels) van Riet (Phragmites australis, Phragmites communis) is gemaakt (Yahuda, p. 113, 206ev.), hierbij wijzend op het tweede gedeelte in de tekst “in vakken ingedeeld moet u deze ark maken”. Het Hebreeuws qnm zou dan afgeleid zijn van קן qên waarmee dan “kamers, vakken” of “nesten” mee wordt bedoeld of van קנה qaneh waar "riet" mee wordt bedoeld. Volgens Yahuda (p. 206) is het Hebreeuwse קן qên een Egyptisch leenwoord van ḳn waarmee het stoppen van de spleten tussen de planken van schepen (Dit stoppen van spleten en naden in schepen wordt ook genoemd, maar dan met Papyrus, in Herodotos, Historiën, II.96), alsook het behandelen van allerlei soorten rietwerk als matten, stoelen (cf. Pap. Westcar, xi 7 (ed. Mark-Jan Nederhof, 2007): 'My ladies, what can I do for you? Please give this barley to your [chair-]bearer (=ḥr ḳny)), wordt aangeduid. Opvallend is dan dat aan het einde van deze tekst het woord כֹּפֶר H3724 voorkomt en dat "pek" betekent (cf. Akkad. kupru, kupur "pek"), waarmee dan het stoppen van de planken moest gebeuren (Tenney, Vol. 2 p 776). Recente commentatoren geven dan ook de voorkeur aan "riet", omdat de context het heeft over bouwmateriaal. De WV95 vertaald dan ook met "met riet moet u de ark maken". Indien het werkelijk om riet zou gaan dan maakte riet deel uit van het constructiemateriaal. De Egyptenaren gebruiken nog steeds riet voor het dichtstoppen van hun houten schepen. En onwillekeurig moeten we denken aan de grote rieten schepen die vroeger in Egypte voeren.

Inhoud

Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!