Leviticus 26:1

SVGij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
WLCלֹֽא־תַעֲשׂ֨וּ לָכֶ֜ם אֱלִילִ֗ם וּפֶ֤סֶל וּמַצֵּבָה֙ לֹֽא־תָקִ֣ימוּ לָכֶ֔ם וְאֶ֣בֶן מַשְׂכִּ֗ית לֹ֤א תִתְּנוּ֙ בְּאַרְצְכֶ֔ם לְהִֽשְׁתַּחֲוֹ֖ת עָלֶ֑יהָ כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה אֱלֹהֵיכֶֽם׃
Trans.lō’-ṯa‘ăśû lāḵem ’ĕlîlim ûfesel ûmaṣṣēḇâ lō’-ṯāqîmû lāḵem wə’eḇen maśəkîṯ lō’ ṯitənû bə’arəṣəḵem ləhišətaḥăwōṯ ‘āleyhā kî ’ănî JHWH ’ĕlōhêḵem:

Algemeen

Zie ook: Afgoden, Joodse wetten (613), Massebah
Exodus 20:4, Deuteronomium 5:8, Deuteronomium 16:22, Psalm 97:7

Aantekeningen

Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!


Vertaalnotities

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
    Zie hier over het gebruik van de interlineair.

לֹֽא־

-

תַעֲשׂ֨וּ

maken

לָ

-

כֶ֜ם

-

אֱלִילִ֗ם

Gij zult ulieden geen afgoden

וּ

-

פֶ֤סֶל

noch gesneden beeld

וּ

-

מַצֵּבָה֙

noch opgericht beeld

לֹֽא־

-

תָקִ֣ימוּ

zult gij stellen

לָ

-

כֶ֔ם

-

וְ

-

אֶ֣בֶן

steen

מַשְׂכִּ֗ית

noch gebeelden

לֹ֤א

-

תִתְּנוּ֙

zetten

בְּ

-

אַרְצְכֶ֔ם

in uw land

לְ

-

הִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת

om daarvoor te buigen

עָלֶ֑יהָ

-

כִּ֛י

-

אֲנִ֥י

-

יְהוָ֖ה

want Ik ben de HEERE

אֱלֹהֵיכֶֽם

uw God


Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!