H1288 בָרַךְ
knielen, zegenen
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Zegen,

Statistieken

Komt 330x voor in 24 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

bārak, ww.; TWOT 285; 1) knielen, afgeleid van בֶּרֶךְ H1290 (E. Klein, p. 85); 2) zegenen, cf. Phoen. ברך "zegenen", Ugar. brk "zegenen", Arab, bāraka "hij zegende", Akka. karābu "zegenen" (een metathesis vorm) (E. Klein, p. 85). M.H. Goshen, referring to the fact that parallelism of the bases brk : mrr is well established in Ugaritic and that mrr very prob. means ‘to strengthen’, suggests that the orig. meaning of ‫ברך‬ was “to be strong’, whence developed the meaning ‘to bless’ (E. Klein, p. 85).


1) qal knielen (2 Kron. 6:13); 1a) hifal laten knielen (Gen. 24:11); 2) qal zegenen 2a) nifal (kunnen) gezegend worden (P. Broers, p. 52), zichzelf zegenen (Gesenius; P.A. Siebesma, p. 44; Gen. 12:3; 18:18; 28:14); 2b) piel zegenen (Num. 23:20; etc.); 2c) pual gezegend worden (Num. 22:6; Ps. 37:22); 2d) hifil (Gen. 24:11); 2e) hitpael (mogen) gezegend worden, zichzelf zegenen (Gesenius), gelukkig prijzen (P. Broers, p. 52; Gen. 22:18; Deut. 29:19; Jer. 4:2);


Jiddisj

broge, brooche "zegen" van beracha 1) als afscheidsgroet (Drs. Enno Endt, Bargoens Woordenboek, p. 22) "Weenend omhelsde hij dochter en schoonzoon en het hartelijk ”mazzel en brooge dan” dat daarna uit zijn mond kwam, getuigde dat zijn haat voor het Poolsche ras, zoo niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte verdwenen was" (Jul. de Vries, Ghijn en Onghijn, 1906, p. 19); "Ik wens je mazzel èn broge" (P. Bakker, Zo was het, 1961, p. 135) ; 2) Het is gebruikelijk om een zakelijke overeenkomst te besluiten met een handklap en de zegswijze "mazzel en brooche" ("מזל וברכה" - המנהג המסחרי של יהלומנים; cf. מַזָּל mazzel H4208)


Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

[בָּרַךְ] vb. kneel, bless Qal 1 kneel down 2 bless Niph. bless oneself Pi 1 bless God, adore with bended knees 2 God blesses 3 men bless men 4 salute, greet, with an invocation of blessing 5 bless, with the antithetical meaning curse from the greeting in departing, saying adieu to, taking leave of; but rather a blessing overdone and so really a curse as in vulgar English as well as in the Shemitic cognates Pu 1 pass. to be blessed, adored 2 prospered by God 3 have prosperity invoked, by Balaam 4 in gratitude Hiph. and he made his camel kneel Hithp. bless oneself, congratulate oneself in his heart

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H1288 בָּרַךְ bârak; a primitive root; to kneel; by implication to bless God (as an act of adoration), and (vice-versa) man (as a benefit); also (by euphemism) to curse (God or the king, as treason) — × abundantly, × altogether, × at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, × greatly, × indeed, kneel (down), praise, salute, × still, thank.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws בָּרוּךְ H1263 "Baruch"; Aramees בְּרַךְ H1289 "loven, knielen, prijzen, zich buigen"; Hebreeuws בֶּרֶךְ H1290 "knieen, knie, uit zijn knielende houding, knie"; Hebreeuws בָּרַכְאֵל H1292 "Baracheel, Barakel"; Hebreeuws בְּרָכָה H1293 "zegening, geschenk, geschenk, zegenend, lof, zegen, zegeningen"; Hebreeuws בְּרֵכָה H1295 "vijver, koningsvijver, waterleidingvijver, watervijver"; Hebreeuws יְבֶרֶכְיָהוּ H3000 "Jeberechja";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs