Zondag
κυριακός G2960 "behorend aan de Heer, betrokken op de Heer",

Zie ook: Israelzondag, Sabbat, Week,

Zondag is de eerste van de zeven dagen van de week volgens de Latijnse en Gregoriaanse kalender

Inhoud

Bijbel

We lezen dat Jezus is opgestaan op zondag, de eerste dag van de week (μιαν σαββατων mian sabbatōn Mat. 28:1; Mark. 16:9; Luk. 24:1). Dat de discipelen op de eerste dag van de week bijeenkwamen om brood te breken (Hand. 20:7, zie daar voor een discussie over "eerste dag") en dat Paulus oproept om op die dag geld opzij te leggen voor de gemeente in Jeruzalem (1 Cor. 16:2). Uit andere brieven kunnen we opmaken dat er in de eerste gemeenten al een discussie gaande was of men nu op de zondag, de eerste dag van de week, of de zaterdag, de sabbat, een rustdag moest houden (Rom. 14:5; Col. 2:16). In Opb. 1:10 lezen we τη κυριακη ημερα "des Heeren dag" of zoals de SV heeft "den dag des Heeren", een specifieke term die door de eerste christenen werd gebruikt om de zondag mee aan te duiden (cf. hieronder "Christendom").


Christendom

Christenen hebben in de eerste eeuw van meet af aan de zevendaagse week overgenomen – niet de Romeinse planetenweek, maar de joodse week, inclusief de joodse aanduidingen van de dagen. Die aanduidingen luidden, vanaf de zondag: ‘de eerste dag na de sabbat’ (hê protê hêmera ton sabbatôn), ‘tweede dag’, ‘derde dag’, ‘vierde dag’, ‘vijfde dag’, ‘zesde dag’ of ‘voorbereiding’ (paraskeuê) en sabbat. Dat het de joodse week was die de christenen overnamen, niet de Romeinse planetenweek, blijkt onder meer daaruit, dat voor christenen, net als voor joden, de zondag als eerste dag van de week bleef gelden, de maandag als tweede dag, enzovoort. In de Romeinse planetenkalender is de eerste dag de zaterdag. Alleen gebruikten christenen vanaf het eind van de eerste eeuw voor de zondag een eigen benaming: τη κυριακη ημερα tē kyriakē ēmera 'de dag van de Heer' (H.J. de Jonge, Zondag en sabbat: Over het ontstaan van de christelijke zondag. Leiden 2006, p. 15; cf. Opb. 1:10). Zo wordt in de Didachè (70-120 n.C.) vermeld: "Maar wanneer u op de des Heren dag vergaderd bent, moet u het brood breken en de dankzegging geven" (Didachè 14.1; zie ook Ignatius van Antiochië, Aan de Magnesiërs 9:1 [110 n.C.]; Tertullianus, De Corona 3; De idololatria 14.7: ‘dies dominicus’). Andere bronnen schrijven 'wij vieren de achtste dag met vreugde' (Barnabas 15:9; cf. Joh. 20:26), 'wij wijden de zondag aan de vreugde' (Tertullianus, Apologeticum 16.11), 'wij behartigen op zondag de vreugde' (Tertullianus, Apologeticum 13.1). (cf. Alikin, p. 36-45)

In 321 n.C. maakte Constantijn de zondag bij wet tot algemene rustdag in het gehele Romeinse rijk (Codex Justinianus III 12.2, ed. P. Krüger; Corpus juris civilis II, 1929; Codex Theodosianus II 8.1, ed. Th. Mommsen I, 2, 1954). Pas tijdens het concilie van Laodicea (367 n.C.) werd de zondag als officiële rustdag bepaald in plaats van de sabbat (Philip Schaff, "Synod of Laodicea (4th Century)", The Canons, 29, op New Advent).


Waarom de zondag werd ingevoerd

Een van de kenmerken van de eerste christenen was dat ze eens in de week bij elkaar kwamen om gemeenschappelijk de avondmaaltijd te houden. Deze avonden bestonden uit twee delen: de maaltijd (δεῖπνον deipnon G1173) en het ongedwongen samenzijn (συμπόσιον symposion G4849) daarna. Dit was geheel volgens het gebruik van de vele verenigingen en groeperingen uit die tijd (V.A. Alikin, p. 1, 16-36). De eerste beschrijvingen hiervan vinden we al bij de Corinthiërs (1 Cor. 11:17-14:40) en in vele geschriften van christenen tot de 3de eeuw (Didache 9-10, 14; Justin Martyr, Eerste Apologia 67; Irenaeus, Adversus haereses, 1.13; Clement van Alexandria, Stromateis, 6.113; Athenagoras, Plea on Behalf of the Christians, 3, 31; Theophilus, Ad Autolycum, 3.4; Acta Petri 13; Minucius Felix, Octavius, 8.4; 9.6; 31.1, 5; Tertullian, Apologeticus, 7, 39; Tertullian, Ad nationes, 1.2; 1.7; Traditio apostolica, 25-29; Origen, Contra Celsum, 1.1; 8.32; Cyprian, Epistulae, 63; zie V.A. Alikin, p. 4, 27-36 voor een totaal overzicht). Deze christelijke bijeenkomsten hadden een belangrijke sociale functie, want dan waren alle aanwezigen gelijk of ze nu rijk of arm, vrij of slaaf, Jood of niet-Jood waren. Het waren juist deze maaltijden die ervoor zorgden dat eens in de week de armen genoeg te eten hadden. Bovendien hadden deze avondmalen een godsdienstige functie, het herinneren wat Jezus voor hen had gedaan en dat vierden ze door het Heilig Avondmaal te vieren.

Het is dan ook om die reden dat Paulus waarschuwt voor de maaltijden van andere groeperingen (1 Cor. 8:10, 10:21) die voor afgoden werden gehouden. Ook Tertulianus waarschuwt de christenen voor deze afgodische maaltijden en stelt dan dat ze hun eigen maaltijden op die dag hebben (Tertullian, De idololatria, 14.6-7; Tertullian, De fuga in persecutione, 14.1; Tertullian, De ieiunio, 14.1-2; zie verder V.A. Alikin, p. 40). Dit wordt nog eens bevestigd door Plinius toen in 112 n.C. de Romeinse stadhouder van Bithynië, een gebied in Klein-Azië aan de Zwarte Zee, een verbod op genootschappen had uitgevaardigd en de christenen in zijn provincie het houden van de gemeenschappelijke wekelijkse avondmaaltijden staakten (Plinius, Ep. 10.96; vgl. 10.33 en 34. Voortaan waren zij ’s morgens bij zonsopgang gaan samenkomen: dit is de kiem van de dienst op zondagochtend).

De vraag die dan nog niet beantwoord is waarom dan de zondagavond en niet de zaterdagavond. Ook de Joden volgden het Hellenistische model om wekelijks samen te komen voor de maaltijd en dat deden zij na de sabbat in huiselijke kring. Het christendom ontstond uit het jodendom en Joden die christen waren geworden zullen doorgaans aan die familiemaaltijd op zaterdagavond zijn blijven deelnemen. Voor hen als christenen was echter een gemeenschappelijk maal met medechristenen toch belangrijker. Pas bij die groepsmaaltijd en in het samenzijn dat erop aansloot, konden zij hun nieuwe overtuigingen en verwachtingen volledig met geestverwanten delen. Pas aan het christelijk avondmaal anticipeerden zij werkelijk op de ideale toekomst die zij verwachtten. Pas aan deze maaltijd beleefden zij dat zij een nieuwe schepping waren. Pas dit avondmaal was de volle uitdrukking van hun identiteit. Hierbij vergeleken was het joodse familiemaal, hoe feestelijk ook, van mindere betekenis (H.J. de Jonge, Zondag en sabbat: Over het ontstaan van de christelijke zondag. Leiden 2006, p. 12ev.; Alikin, p. 36-45).


Folklore

De zondag is volgens sommigen vernoemd naar een Romeinse godin Sól of Sunna, echter dit is onwaarschijnlijk omdat het een godin is die in het Noorse pantheon voorkomt (De Vries, Edda; M. Otten, Edda). Logischer is dan ook dat deze dag naar de zon is vernoemd, zoals ook de andere dagen van de week naar de maan en toen bekende planeten zijn vernoemd (Cassius Dio 37.18; cf. H.J. de Jonge, Zondag en sabbat: Over het ontstaan van de christelijke zondag. Leiden 2006, p. 3; Zerubavel, p. 14) en dat de Germanen dit later van de Romeinen hebben overgenomen.


Aangemaakt 28 april 2017


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!