Natuur

You are currently browsing articles tagged Natuur.

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier, het tweede hier en het derde hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

INTELLIGENT ONTWERP

Niet alleen kunnen zulke niet-reduceerbaar complexe systemen niet geleidelijk ontstaan, door natuurlijke selectie van recombinaties en/of mutaties, zij wijzen ook op de noodzaak van ontwerp. Zoals een ingenieur een ontwerp maakt met een doel voor ogen, of het nu is voor een wasknijper of voor een wolkenkrabber, zo kun je ook overal in de levende natuur doelbewust ontwerp zien. De informatie van elk ontwerp is in het DNA vastgelegd; op grond van die informatie, de volgorde van de nucleotiden, wordt elk organisme opgebouwd. De volgorde van die nucleotiden is dan dus allerminst toevallig, maar moet zo bedoeld zijn. Ontwerp is noodzakelijkerwijs verbonden met intelligentie, van blind toeval kan dan dus geen sprake meer zijn.

Dit intelligentie-aspect van het leven heeft Amerikaanse onderzoekers geleid tot de oprichting van een Intelligent Design Movement, die vooral in de V.S. veel aandacht trekt en mensen daar bevestigt in hun geloof in God. Als immers de levende natuur ontwerp vertoont, dan verwijst dat naar een Ontwerper daarvan met een ontzagwekkend creatieve intelligentie, die het menselijk vernuft verre te boven gaat. Deze idee van ‘Intelligent Ontwerp’ heeft ook in Nederland aanhang onder allerlei natuurwetenschappelijke onderzoekers. Niet alleen biologen, ook chemici, fysici, kosmologen en wiskundigen worden er door geboeid. De gedachte is overigens niet nieuw, zij is zelfs veel ouder dan Darwin’s theorie. Vanouds immers heeft de mens de kosmos als een goddelijk ontworpen schepping beleefd. Ik wees al op denkers in de Griekse oudheid. De onderzoeker Robert Boyle (1627-1691) vergeleek de kosmos met een ingenieus uurwerk, waarin hij de hand van een goddelijk ontwerper en onderhouder meende te herkennen. De Amsterdamse microscopist Jan Swammerdam (1637-1680) zag in het kleinste insectje de grootheid van ‘den Alder Oppersten Maaker’, zijn studies zijn verzameld in een ‘Bijbel der Natuure’. Terwijl de Leidse fysicus Petrus van Musschenbroek (1692-1761) juist in de hemellichamen ‘het waare Aanwezen van den Almagtigen en Oneindigwyzen GOD’ onderkende. Ook Albert Einstein (1879-1955) ontwikkelde zijn geniale relativiteitstheorieën op grond van zijn overtuiging dat God planmatig ontwerpt, ‘zonder dobbelen’, dus zonder toeval. Steeds heeft men ‘het Boek der Natuur’ naast ‘het Boek der Schriftuur’, de Bijbel, gelezen en tal van dienaren der Kerk waren actieve natuuronderzoekers, o.a. Copernicus. Van de 16e-eeuwse Galileï tot de 19e-eeuwse Maxwell waren excellente wetenschappers gelovige christenen. Nog in 1891 publiceerde de Engelse fysicus G.G. Stokes zijn boek ‘Natural Theology’, terwijl de chemicus C.J. Dippel voorzitter was van een Nederlands Hervormde studiegroep die in 1965 en 1967 het tweedelige ‘Geloof en Natuurwetenschap’ uitbracht. In historisch perspectief lijkt dan ook de huidige tegenstand van de zijde van atheïstische materialisten tegen doelmatig en planmatig ontwerp in de natuur een tijdelijk verschijnsel, nog resterend van het 19e-eeuws gebrek aan kennis van de complexiteit van de levende natuur.

Echter, de oorzaak van het ontwerp, de aard van de ontwerpende intelligentie ligt, evenals de oorzaak van de Big Bang, buiten het terrein van de natuurwetenschap. De doelbewuste intelligentie behoeft, wat dat betreft, niet te berusten bij de God van de Bijbel, maar kan ook van de veelheid van Hindoegoden of zelfs van marsmannetjes afkomstig zijn. Daar is natuurwetenschappelijk uiteraard geen verstandig woord over te zeggen. Dat neemt niet weg dat door verder onderzoek van de natuur nadere argumenten kunnen worden aangedragen die intelligent ontwerp tegenover blind toeval steeds meer aannemelijk maken.

Het concept van intelligent ontwerp wordt zelfs nog verder doorgetrokken. Wij leven in een onvoorstelbaar groot en eigenlijk onleefbaar heelal, ons ‘ruimteschip aarde’ spoedt zich voort in een koude en donkere leegte, een vacuüm bij zo’n 270° C onder nul. Het is buitengewoon bijzonder dat op onze planeet precies de juiste hoeveelheden licht, lucht, water en chemische elementen binnen nauwe temperatuurgrenzen aanwezig zijn, zodat de mens hier in zijn omringende natuur kan bestaan. Een miniem verschil in de waarde van één van de vele natuurconstanten zou dit hele heelal, inclusief een bewoonbare aarde, onmogelijk maken. Zelfs het bestaan van atomen en sterren in onze kosmos hangt van deze uiterste precisie af! Daarom menen sommige wetenschappers dat zo’n uiterst nauwkeurig afgebakende kosmologische, fysische en chemische combinatie van condities wel planmatig met het oog op het bestaan van de mens in zijn specifiek milieu bepaald moet zijn. Dit zou dan wel een bijzonder krachtig argument voor ontwerp zijn; nog één stap verder met dit zgn. antropisch principe (anthropos [Gr.] = mens) en je bent bij de goddelijke Schepper, die de kennende en Hem erkennende mens als het doel van zijn schepping heeft gecreëerd. Maar ook die stap kan alleen worden gezet in geloof.

Consequente atheïsten onderstellen daartegenover dat er dan een ‘multiversum’ zal moeten bestaan met talloos vele universa, die steeds andere toevallige natuurconstanten bezitten; één daarvan, namelijk ons heelal, zou dan toevallig net over die natuurconstanten beschikken die leven mogelijk maken. Maar andere universa dan het onze zijn principieel onkenbaar, deze ‘multiversumhypothese’ is dus niet te toetsen en daarom niet wetenschappelijk. Bovendien geldt in de wetenschap dat bij de keuzemogelijkheid tussen verschillende theorieën de eenvoudigste de voorkeur verdient en dat is bepaald niet die van een multiversum!

Natuurwetenschap bestudeert materie en energie in ruimte en tijd, sinds de Verlichting vooral in een gesloten, mechanistisch wereldbeeld. Geleidelijk begint men zich bewust te worden van de consequenties dat dit studieterrein raakvlakken heeft met, ja, deel uitmaakt van een groter geheel van de werkelijkheid die de menselijke geest kan ervaren. Dit leidt tot de mogelijkheid van een meer open wereldbeeld, dat ook ruimte biedt voor goddelijke interventie in het natuurgebeuren. Voor zover dat gebeurt via de natuurwetten blijft dat wetenschappelijk onopgemerkt; buiten die wetten om spreekt men van wonderen, bijv. bij tal van in de Bijbel vermelde gebeurtenissen, alsook bij genezingen in onze dagen.

De evolutietheorie is een interpretatie van natuurwetenschappelijke feiten maar wordt, ten onrechte, door atheïsten vaak als een feit op zichzelf beschouwd in hun materialistisch geloof, het evolutionisme. Zij houden er daarbij geen rekening mee dat, voor het verkrijgen van nieuwe levensstructuren, het enig bekende mechanisme: selectie van toevallige recombinaties en mutaties in de ‘struggle for life’, volstrekt ontoereikend is. Sinds professor Jan Lever van de Vrije Universiteit in de vorige eeuw denken christenen wel aan een ‘theïstische evolutie’, maar eigenlijk ontbreekt meer en meer de wetenschappelijke grond voor enige evolutie van laag naar hoog georganiseerd leven. Het afscheid van de traditionele evolutietheorie zal ongetwijfeld aanzienlijke gevolgen hebben ook buiten het vakgebied van de natuurwetenschap zelf.

MENS EN MENSAPEN

Ik ben bioloog geworden uit belangstellende liefde tot de natuur. Wat is dat eigenlijk, die fascinatie door ‘wat leeft en groeit en altijd weer boeit’, waarom kunnen we schoonheid ervaren aan vlinders op bloemen, genieten van vogelzang? Wat dat laatste betreft, waarom hebben lijsters en nachtegalen repertoires van meer dan 100 melodieën, ze zouden toch met een paar verschillende roepen kunnen volstaan om de voor hen nodige signalen af te geven? Vragen, die alweer niet natuurwetenschappelijk te beantwoorden zijn. Maar zou het misschien kunnen, doordenkend in de lijn van het antropisch principe, dat het is om ons mensen er van te kunnen laten genieten? Zou dat bedoeld kunnen zijn in de ons omringende natuur? Je vraagt je dan af: is de mens dan zo iets bijzonders?

Zoölogisch gezien is de mens een zoogdier. Als Homo sapiens is hij een Primaat, verwant aan de aapachtigen, vooral aan de mensapen, waarvan hij wat zijn genen betreft maar luttele procenten verschilt. Maar paleontologisch is ook hier een niet overbrugde kloof: de steeds talrijker fossiele resten zijn tot nu toe òf duidelijk aapachtig òf typisch menselijk. Zo blijkt de bekende ‘Lucy’ een aap, die op de knokkels van de voorpoten liep. Evolutionisten zien in de overeenkomst in het DNA van mens en mensapen een bewijs voor gemeenschappelijke afstamming, maar het argument dat de Ontwerper dezelfde bouwstenen gebruikt voor overeenkomstige levensvormen is even goed te verdedigen. Het is beide een kwestie van geloof, òf in darwinistisch-toevallige evolutie òf in schepping.

Maar of de mens toevallig geëvolueerd is, dan wel een aparte schepping, is wel van groot belang voor het christelijk geloof. Want als althans de geestelijke vermogens van de mens niet zouden berusten op schepping maar toevallig geleidelijk ontwikkeld zouden zijn, dan zou hij schuldeloos zijn als een dier en konden hem zijn wandaden evenmin moreel worden aangerekend als het slaan van een hert door een leeuw. En dan zou er dus ook geen noodzaak zijn voor zondeverzoening aan het kruis (vergelijk ook de overwegingen van Paulus in bijv. Rom. 5:18,19 en 1 Kor. 15:20-22).

Van de mensapen leeft de orang oetan solitair. Wel houdt de moeder haar jong meer dan vier jaar bij zich om het de honderden plantendelen te leren kennen, die het nodig heeft om in het oerwoud gezond en veilig te kunnen overleven. De andere mensapen: gorilla, chimpansee en bonobo, kennen een rijk sociaal samenlevingsverband. Vooral zij hebben een onderling gedrag van gebaren en mimiek, dat ons zo herkenbaar voorkomt: ‘het zijn net mensen’. Maar recent gedragswetenschappelijk onderzoek aan voornamelijk chimpansees, ons genetisch het meest verwant, heeft drie opvallende verschillen met menselijke vermogens aangetoond:

  • Mensapen communiceren onderling veel met mimiek en gebaren en kunnen getraind worden op wel honderd gebaren om hun wensen aan onderzoekers kenbaar te maken. Ze doen dat vooral op verzoek, het blijkt dat ze uit zichzelf niets met die gebaren doen, ze zijn er niet in geïnteresseerd. Een mensenbaby gaat op een bepaalde leeftijd brabbelen (zelfs als het doofstom is gaat het met zijn handjes ‘brabbelen’), een mensapenjong niet, hij doet ook geen geluiden na: mensapen missen taalgevoel;
  • Mensapen kunnen wel tellen, ze zien het verschil tussen drie en vier bananen. Maar ze missen volkomen het menselijk vermogen om abstract reeksen, zoals optellingen of vermenigvuldigingen, tot in het oneindige voort te zetten. Ze kunnen blijkbaar niet abstract denken en hebben geen notie van oneindigheid of eeuwigheid;
  • Ondanks hun sociaal gedrag, alle gevlooi en geknuffel, blijken mensapen zich niet in elkaar te kunnen verplaatsen, zich in een ander in te leven. Als een apenjong iets wil proeven van wat de moeder eet, dan laat deze passief toe dat hij haar arm naar zich toe trekt, meer niet, heel anders dan bij ons menselijk gedrag aan tafel. Apen tonen wel enige empathie voor elkaar, maar ze hebben geen enkel moreel besef en, vooral, ze kennen geen liefde zoals de mens.

Opnieuw dus de vraag: is de mens dan zo iets bijzonders? Volgens Genesis 1 zijn plant en dier geschapen ‘naar hun aard’, maar niet de mens: ‘God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’ (Gen. 1:26). Zoals God een Triniteit is van Vader, Zoon en Heilige Geest, zo is de mens een triniteit van lichaam, ziel en geest. Het lichaam heeft hij met alle materie gemeen; de ziel, waarin het denken, voelen en willen zetelen, met althans de hogere dieren; maar zijn geest is volstrekt uniek. Niet alleen om als rentmeester de overige schepping te beheren, althans op aarde, maar ook om met God te communiceren, zoals Adam met God ‘wandelde in de hof’ (Gen. 3:8). Welnu: taalgevoel, liefde, besef van moraal en van eeuwigheid, al deze specifieke eigenschappen van de menselijke geest, zijn juist daar voor nodig, zij kenmerken onze omgang met God en met elkaar.

NATUURFILOSOFIE

Ook door niet-biologen zijn gedachten ontwikkeld, die een interessant licht op ons onderwerp werpen.

De Joods-Franse wijsgeer Henri Bergson (1859-1941, Nobelprijs 1928) beschreef in zijn boek L’Évolution créatrice (1907) een ‘élan vital’ in de levende natuur. Dat ‘élan’ is een door een liefdevolle God gegeven creatieve drang, die door de ganse schepping heen vaart. Het is deze scheppingsdrang die de grote verscheidenheid in levensvormen op aarde tot stand heeft gebracht. Het uiteindelijke doel van die drang is de schepping van de mens, omdat het in de ganse kosmos alleen de mens is, die met zijn bewustzijn Gods schepping kan waarderen en Hem in wederliefde kan herkennen en aanbidden.

Puur wetenschappelijk kun je niet veel met zo’n filosofie, omdat de natuurwetenschap haar grenzen moet trekken en nu eenmaal niet de gehele werkelijkheid omvat. Maar die grenzen worden doorbroken door deze religieuze filosofie, die juist daar verklaringen biedt waar de wetenschap moet stoppen: bij de vragen naar het begin van alles, naar het onwaarschijnlijke ontstaan van het leven op aarde, naar het proces van de ontwikkeling van dat leven in zijn uitbundige verscheidenheid van bouwplannen, vormen en functies, naar de niet-reduceerbare complexiteit op alle niveaus in een natuur met een planmatige doelgerichtheid, culminerend in de mens. De mens met zijn geest: zijn abstraherend verstand, zijn taalgevoel en zelfbewustzijn, zijn cultuur en zijn religieus en moreel besef. De mens als het uiteindelijk hoogtepunt, de kroon van een bedoelde ontwikkeling. Zo zien wij, dat ook door filosofie de terreinen van geloof en wetenschap elkaar kunnen aanvullen en versterken.

Bergson’s principe van het élan vital in de levende natuur is zelfs nog uitgebreid tot het gehele universum in het christelijk panentheïsme, bijv. door de Duitse theoloog Jürgen Moltmann in zijn Spirit of life: A universal affirmation (1999). Dit panentheïsme (wel te onderscheiden van ‘pantheïsme’, dat het goddelijke beperkt tot alleen het waarneembare heelal) stelt dat, waar de Heilige Geest al bij het begin van de schepping werkzaam was (Gen. 1:2), de bovennatuurlijke, transcendente God in de persoon van de Heilige Geest van ouds altijd en alom ook in al het geschapene, dus immanent, aanwezig is. De Heilige Geest kan dus niet alleen de mens vervullen, maar doordringt op enigerlei wijze de gehele schepping. Deze panentheïstische visie, waarvan hier alleen het principe weergegeven is, gaat je mogelijk te ver; als je de consequenties ervan doordenkt, rijzen wel veel vragen en uiteindelijk moet het denken stoppen voor het goddelijk mysterie. Maar er zijn blijkbaar gradaties in de zienswijzen, hoe een creatief God met en in Zijn schepping kan handelen. En dat handelen betreft niet alleen de veelheid van vormen in de natuur, maar evenzeer de verscheidenheid op individueel niveau, waarover de vragen gaan die ik aan het begin van dit artikel aan je stelde. Hopelijk kan deze beschouwing je dan ook helpen bij de vorming van een wereldbeeld, waarin geloof en wetenschap harmonieus samenhangen, met een zinvolle zienswijze op schepping en evolutie in de levende natuur.

Voor verdere oriëntatie op dit gebied volgt hier nog enige literatuur.

  • Batten, D., Catchpoole, D., Wieland, C., Sarfati, J., Hoe bestaat het! – 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel De Banier, 2009, ISBN 978-90-336-29693, 333 blz.
  • Burgess, S., Ontwikkeling of ontwerp Medema, Vaassen, 2003, ISBN 90-6353-417-5, 187 blz.
  • Dekker, C., Meester, R., Van Woudenberg, R., Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? Ten Have, Kampen, 2005, ISBN 90-259-5483-9, 348 blz.
  • Dekker, C., Meester, R., Van Woudenberg, R., En God beschikte een worm. Over schepping en evolutie Ten Have, Kampen, 2006, ISBN 90-259-5664-0, 405 blz.
  • Dekker, C., Van Woudenberg, R., Van den Brink, G., Omhoog kijken in platland Ten Have, Kampen, 2007, ISBN 90-259-5776-6, 432 blz.
  • Hobrink, B., Moderne wetenschap in de Bijbel Gideon, Hoornaar, 2005, ISBN 90-6067-
  • 794-3, 356 blz.
  • Scheele, P.M., Degeneratie, het einde van de evolutietheorie Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997, ISBN 90-6064-938-9, 239 blz.
  • Smelik, P.G., Scheppingsgeloof of toevalsgeloof? In: C. Dekker c.s. 2007.

Tags: , ,

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier, het tweede hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

MICRO-EVOLUTIE

Maar die Darwin-vinken dan? Daarbij is toch duidelijk soortvorming vastgesteld, evenals naderhand door vele onderzoekers, bij zowel planten als dieren. Als bijv. een plantensoort zijn areaal uitbreidt aan weerszijden van een gebergte waar hij niet overheen kan, dan kunnen aan beide kanten door natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie populaties ontstaan, die uiteindelijk niet meer met elkaar en/of met de ouderpopulatie zijn terug te kruisen. Dan is speciatie (soortvorming) opgetreden.

Dat is dè belangrijke ontdekking van Darwin: biologische soorten zijn niet vanaf de schepping in Genesis 1 onveranderlijk, zij kunnen zich verder ontwikkelen tot andere, nieuwe soorten. Maar deze bewezen vorm van evolutie, wat genetische rijkdom betreft resulterend in verarming, degeneratie, devolutie, bergafwaarts, moet als micro-evolutie onderscheiden worden van de slechts theoretische macro-evolutie van lager naar hoger ontwikkeld. Micro-evolutie, down-hill, is veelvuldig gevonden, maar up-hill macro-evolutie is nooit met zekerheid aangetoond. Het is de combinatie van Darwin’s genialiteit enerzijds en zijn onbekendheid met latere wetenschappen als genetica, biochemie en informatica anderzijds, die hem er toe bracht het door hem ontdekte down-hill proces ten onrechte te generaliseren tot een opwaarts gerichte ontwikkeling van laag naar hoog, als ‘van amoebe tot mens’. Voorzichtigheidshalve schreef hij al:

Te onderstellen dat het oog, met al zijn weergaloze vernuftigheden…, door natuurlijke selectie gevormd kan zijn lijkt, ik geef het toe, absurd in de hoogste graad. (Origin of Species, p. 167).

Anderhalve eeuw lang heeft de darwinistische evolutietheorie, in verschillende varianten om aan feitelijke bezwaren tegemoet te komen, een overheersend stempel gedrukt op de biologie en van daar uit op andere gebieden van menselijke activiteiten, tot op de economie, sociologie en psychologie toe. Wij moeten thans, op bovengenoemde wetenschappelijke gronden, onze inzichten herzien en de theorie beperken tot de degeneratieve micro-evolutie op soortsniveau. Wij zagen al, dat ook de paleontologie geen argumenten voor macro-evolutie oplevert.

Als het enig alternatief voor macro-evolutie schepping is, en micro-evolutie nieuwe soorten kan doen ontstaan tot op de huidige dag, hoe verhoudt zich dan dit laatste proces tot het ontstaan van de planten en dieren zoals in de scheppingsweek van Genesis 1? Geschiedenis, van mens, aarde of kosmos, is een éénmalig proces, dus niet reproduceerbaar en daarom niet experimenteel te toetsen. Wel houdt schepping een polyfyletische ontwikkeling van het leven op aarde in, zoals ook uit de paleontologie waarschijnlijk is geworden. Een veronderstelling is, dat bij de schepping van de planten en dieren ‘naar hun aard’ (Gen.1:21,24,25) gedacht kan worden aan genetisch heel rijke oertypen (zgn. ‘baramin’, naar ‘bara’ = scheppen en ‘min’ = soort, aard), die vervolgens via natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie zich ontwikkelden tot de soorten, die wij in de huidige flora en fauna kennen. Bijv. een oer-mees, waaruit naderhand o.a. kool-, pimpel-, kuif-, staart-, buidel-, rouw- en zwarte mees zijn ontstaan. Overigens, als je bijv. ziet hoe mooi het verenkleed van deze vogeltjes is en hoe specifiek en constant ze nu zijn en blijven, kun je je ook beter nog een scheppende hand in deze micro-evolutie voorstellen dan een ongericht en doelloos toevalsmechanisme! God kan in de natuur juist ook met behulp van de door Hem gegeven natuurwetten werken. Toeval kan schijn zijn: als God gerichte mutaties en recombinaties zou bewerkstelligen, dan kan zijn scheppingswerk in de tijd doorgaan.

Al die soorten zijn echter wel onmiskenbaar mezen gebleven. Het is net zo als bij de teeltkeus door de mens in veredeling en fokkerij. Rozen kunnen veredeld worden tot miniatuur-, klim- of trosroos, in talloze kleurvariaties, het blijven allemaal rozen. En honden zijn uit elkaar gefokt van Chinees schoothondje tot Ierse wolfshond, maar wij blijven hen, en zij ook elkaar, herkennen als hond. Er komt nooit iets tussen hond en kat in, met selectie van recombinatie en mutatie kom je nooit buiten de ‘aard’ van het beestje, je blijft binnen de potentie van de ‘baramin’, het oertype.

En de mens, heeft die zich dan ook door degeneratie ontwikkeld tot al zijn huidige rassen? Ja, waarom niet? Volgens de Bijbel werd Adam, sprekende met God die zag dat het ‘zeer goed’ was, 930 jaar oud. Hij was ongetwijfeld een in alle opzichten zeer gezegend persoon en ook genetisch heel rijk gevarieerd. Dus waarom zouden de diverse rassen hem niet tot oervader gehad kunnen hebben? Dat die rassen door genetische verarming zijn gevormd, behoeft niet te leiden tot enigerlei vorm van denigrerend racisme. Ik zou niet weten of het blanke ras meer gedegenereerd is dan bijv. het Chinese. Een dergelijke vraagstelling vind ik trouwens ongepast wegens de principiële geestelijke gelijkwaardigheid van alle mensen als beelddragers van God.

Micro-evolutie kan dus binnen de soort leiden tot nieuwe rassen of ondersoorten en, als er populaties ontstaan, die niet meer binnen zo’n complex kruisbaar blijken, tot nieuwe soorten. Het begrip ‘soort’ (species) wordt immers gedefinieerd als het totaal van de individuen die onderling vruchtbaar kunnen kruisen. Soms worden bij kruising van verwante soorten nog wel nakomelingen gevormd, maar die kunnen zich dan meestal niet meer voortplanten; bijv. de kruising van een paardenhengst met een ezelin levert een steriele muilezel op. Hybridisatie, dat is kruising van rassen of ondersoorten onderling, levert vruchtbare hybriden op. Deze zijn, in tegenstelling tot de micro-evolutie in het algemeen, weer genetisch verrijkt door de combinatie van de twee verschillende genetische oudersets; hybriden zijn dan ook dikwijls groter dan hun ouders, het zgn. hybridisatie-effect. Ook de bovengenoemde, steriele muilezel is groter, sterker en zelfs intelligenter dan elk van de beide ouderdieren. De verrijking door hybridisatie blijft uiteraard beperkt tot het genenmateriaal dat binnen de soort reeds voorhanden was. Het verrijken van het genoom van vruchtbare nakomelingen met genen van buiten de soort is alleen mogelijk langs kunstmatige weg, bijv. met recent ontwikkelde biotechnologische methoden; maar dat zijn menselijke ingrepen die in de vrije natuur niet voorkomen.

NIET-REDUCEERBARE COMPLEXITEIT

Zelfs al zouden er winstmutaties bestaan, dan nog kunnen deze niet zonder meer leiden tot hoger ontwikkelde organen of organismen. Om nog één keer de voorzichtige Darwin te citeren:
Als aangetoond kan worden dat er een complex orgaan bestaat dat onmogelijk gevormd kan zijn door zeer vele opeenvolgende kleine veranderingen, dan zou daarmee mijn theorie afgedaan hebben (Origin of Species, p. 154).

En dat is nu precies het geval. Een voorbeeld: je arm kun je alle kanten op bewegen, omdat je schouder een kogelgewricht heeft. Dat geldt ook voor je heup, maar gelukkig niet voor je knie, anders zou je hoogstens zwalkend kunnen lopen. Je knie heeft een scharniergewricht, zodat je onderbeen alleen naar voren en achteren kan scharnieren. Dat gewricht is erg complex, nog afgezien van knieschijf, kapselbanden e.d. Eigenlijk is de knie een scharnierend schuifgewricht, dat zowel kan rollen als schuiven. Met twee knobbels onder aan je dijbeen, die passen in twee holten boven op je scheenbeen, kan je knie buigen, maar in principe kunnen die twee beenderen daarmee ook langs elkaar heen glijden, waardoor je knie uit elkaar zou kunnen vallen. Dat wordt verhinderd door twee kruisbanden, die aan weerszijden aan beide botten vastzitten en binnen het scharnier elkaar passeren. Aanhechtingsplaatsen en lengten van die kruisbanden liggen geometrisch precies vast om zowel verrekking als uitglijden te verhinderen. Elke voetballer weet wat er gebeurt, als zo’n kruisband wordt beschadigd!

Welnu, een dergelijk systeem, waarvan hier alleen het principe is beschreven, kan onmogelijk geleidelijk tot stand komen. Het moet in één keer in alle onderdelen precies goed aanwezig zijn om te kunnen functioneren. Een organisme, waarin het kniegewricht onvolledig aanwezig zou zijn, ‘in de loop van zijn ontwikkeling van lager naar hoger’, zou zich niet kunnen voortbewegen, laat staan voortplanten. Dit is een voorbeeld van niet-reduceerbare complexiteit: de ingewikkeldheid van het systeem kan niet worden verminderd, onvolledigheid van één van de elementen maakt het hele systeem onbruikbaar, alles moet tegelijk en volledig in één individu aanwezig zijn. Een recombinant of een mutant die aan zo’n voorlopig, nog in ontwikkeling verkerend, onwerkzaam orgaan energie en materiaal zou verspillen, verliest de struggle for life.
Een ander voorbeeld. Op een van de tropische Hawaï-eilanden zag ik tot mijn verbazing een Goudplevier rondscharrelen, een landvogel uit het Noordpoolgebied. Hoe kon dat? Het blijkt dat deze pacifische soort, die leeft in Alaska en Oost-Siberië, zich daar in de poolzomer volvreet, ‘opvet’, tot zijn lichaamsgewicht met de helft is toegenomen (stel je voor, jij met je 60 kg zo’n 30 kg vet erbij!). Dan vliegt de Goudplevier naar het zuiden om aan de koude poolwinter te ontkomen; niet, zoals te verwachten van een vogel die niet kan zwemmen of drijven, langs de kustlijn van Amerika of Azië, maar recht de Grote Oceaan op. Door weer en wind koerst hij rechtstreeks op de minieme Hawaï-eilanden af, 4500 km over zee. Deze eilanden hebben vroeger nooit dichter bij de Noordpool gelegen. De Goudplevier vliegt 90 uur onafgebroken met 50 km per uur. Niet langzamer, dan duurt de vlucht te lang en wordt hij te moe; ook niet sneller, want dan verbrandt hij zijn vet te oneconomisch. Als je uitrekent hoe snel hij onderweg zijn vet verbruikt, moet dat ongeveer 800 km vòòr Hawaï opgebruikt zijn: plons. Dat hij het toch juist haalt, komt doordat de vogels groepsgewijs vliegen, als ganzen in een V-formatie die de luchtweerstand efficiënt vermindert. Welnu, zo’n gedrag kan nooit door een geleidelijke evolutie zijn ontstaan: als in dat vogelkopje nog maar één stukje informatie onvolledig zou zijn, zou er geen pacifische Goudplevier bestaan, hij zou òf doodvriezen in de poolwinter òf verdrinken in de oceaan: dat is niet-reduceerbare complexiteit.

Dit is een voorbeeld uit de oecologie, het ene uiterste van de biologie; interessant is ook de, uiteraard strikt gelijktijdige, aanpassing aan elkaar van geheel verschillende organismen als bijv. bloemplanten en de hen bestuivende diersoorten. Aan de andere kant van de biologie, de moleculair-biologische, is de genetisch gereguleerde enzymsynthese, die we al bij het ontstaan van het leven tegenkwamen, een goed voorbeeld van een complex systeem dat niet kan werken als één der elementen niet volledig ontwikkeld is. Dit principe van de niet-reduceerbare complexiteit vinden we in de gehele levende natuur, van bacterie tot mens, van eiwitsynthese en celdeling tot orgaanbouw en gedrag. De levende natuur is, in tegenstelling tot de levenloze, vol van zulke systemen, waarvan niet één element kan worden gemist zonder dat de gehele functie volledig uitvalt. Buiten de levende natuur treffen we deze niet-reduceerbare complexiteit alleen, maar dan ook veelvuldig, aan bij door de mens ontworpen systemen. Michael Behe, een Amerikaans biochemicus, die dit principe in 1996 formuleerde, gaf als voorbeeld een muizenval. Voor een doorsnee muizenval zijn zeven onderdelen nodig, zoals een plankje, een veertje, een haakje voor het stukje kaas, enz.; ontbreekt één van deze elementen, dan heb je geen muizenval, geen muis die er in trapt. Vaak zijn zulke door de mens ontworpen technologische constructies heel ingewikkeld en bevatten zij ook regulatiemechanismen die werken met mee- en tegenkoppelingen. Bijv. een meetapparaat stelt vast dat een vloeistofniveau te laag daalt; het geeft daarop een signaal aan een toevoerklep die dan meer opent, eventueel ook aan een afvoerklep die meer gaat sluiten. Nadert het niveau een bovengrens, dan geeft de meter tegenovergestelde signalen af, zodat een bepaald niveau binnen zekere grenzen wordt gehandhaafd. Het apparaat is zodanig af te stellen, dat de fluctuatie niet te groot wordt, maar ook niet te klein, anders gaan de kleppen klepperen en treedt te veel slijtage op. Bij plant en dier komen ook veel van zulke regelsystemen voor, die balansen in het lichaam moeten handhaven; zij zijn vaak van hormonale aard. Denk maar aan de regeling van bloeddruk, hartslag, spijsvertering, spierbeweging, slaapritme en immuunsystemen; of aan de kiemrust van zaden en de groei en veroudering van stengels, bladeren, bloemen en vruchten.

Tags: , ,

Melaatse muren

Wanneer u komt in het land Kanaän, dat Ik u tot bezit geef, en Ik de ziekte van de melaatsheid toedeel aan een huis in het land dat u bezit, dan moet hij van wie het huis is, komen en de priester vertellen: Er lijkt een ziekte aan het huis te zijn.

Leviticus 14: 34 (HSV)

Als je de passage in Leviticus 14: 34-48 leest dan zien we in de meeste vertalingen dat er gesproken wordt dat het huis “melaats” of “vraat” heeft. Op alle plekken in de Bijbel waar dit Hebreeuwse woord voorkomt heeft het betrekking op mensen en wordt er een soort melaatsheid bedoeld, maar kan een huis ook ziek zijn. Iedereen weet dat in vochtige huizen snel schimmel optreed en het is dit waar over wordt gesproken, schimmels kunnen zeer schadelijk zijn en soms de gezondheid van mensen aantasten.Het was om die reden dat deze wet was gegeven en ervoor moest zorgen dat deze schimmels zo snel mogelijk werden gedetermineerd en in het ergste geval weggehaald. Interessant is dan ook dat een priester langs moest komen om te constateren of het schadelijk was. “Als hij vaststelt dat er groen- of roodachtige putjes in de muren zijn ingevreten” (vers 37 NBV) dan was het gevaarlijk en werd het huis “onrein” en als het er na een week nog was dan moesten de desbetreffende muren afgekrabd of verwijderd worden. Volgens J.A. Scott (Studies on Indoor Fungi, p. 181-182) gaat het om de Serpula lacrimans en de Serpula incrassata, waarbij interessant is om te vermelden dat de hedendaagse oplossing tegen dit soort schimmels grofweg nog steeds dezelfde is als in de Bijbel wordt beschreven.

Nu zijn het lang niet altijd bovengenoemde schimmels, omdat in huizen ook veel hout is verwerkt welke als ze rotten ideale bodems zijn voor allerlei andere soorten schimmels of paddenstoelen. Zo zien we soms in oude vochtige huizen koraalzwammen groeien een symptoom dat het hout aan het rotten is. Ook hier geld dat als de schimmel/paddenstoel zich heeft “ingevreten” dit hout verwijderd moet worden. Ook dit wordt netjes in dit Bijbelgedeelte genoemd “dan moet men het huis, de stenen en het hout ervan afbreken” (vers 45 HSV). Tegenwoordig zijn er natuurlijk andere middelen als een chemische behandeling, maar in die tijd was dat er allemaal nog niet en moest het zekere voor het onzekere worden genomen.

Tags: , ,

Brood van stenen maken

En de verzoeker kwam bij Hem en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.

Mattheüs 4:3 (HSV)

Als je door de woestijnen van Israël loopt dan zie je regelmatig vreemd gevormde stenen die lijken op gefossiliseerde broden. Het is dan ook interessant dat we in de Bijbel dit fenomeen terug vinden in het gesprek tussen satan en Jezus. We weten wat de afloop is van dit gesprek en zal daarom niet daarop ingaan. Vandaag wil ik me meer bepalen waarom deze vreemd gevormde stenen voorkomen in deze woestijnen. Eigenlijk is het antwoord heel simpel, de meeste rotsen in deze woestijnen zijn van zacht kalksteen en dat erodeert snel door de wind. Daarnaast is de kans groot dat je ze vaker aantreft in de beddingen van wadi’s dan op andere plekken, want tijdens het regenseizoen stort het water met groot geweld door deze wadi’s en sleurt alles mee wat op zijn pad komt. Hierdoor worden de scherpe kanten van de rotsblokken afgesleten en door het vocht lost de kalk iets op. Met als uiteindelijk resultaat mooie rond gevormde stenen, zoals op onderstaande foto is te zien en die lijken op de ronde broden die men vroeger maakte.

Tags: , , ,

De natuur in Job

Deze reeks over Job is een samenstelling van een lezing die 5 februari is gehouden.

Iedereen denkt bij het Bijbelboek Job aan een epos waarin het lijden wordt beschreven. Gaan we de diverse dialogen tussen Job en zijn vrienden en later ook met God bestuderen dan valt op hoe vaak voorbeelden uit de natuur worden genoemd.

De vraag die mij vaak wordt gesteld is waarom we ons hiermee bezig zouden houden, de Bijbel is toch een geestelijk boek en om die reden is het zinloos om je met aspecten zoals de natuur bezig te houden. Natuurlijk is de Bijbel in eerste instantie een geestelijk boek, het is het Woord van God dat we hebben gekregen en het mooie is dat er veel wordt uitgeweid over de schepping en hoe de mensen ten tijde dat de Bijbel werd samengesteld leefden en dachten over deze schepping. En het is om die reden dat we ook nu nog hiervan mogen genieten, dat we ook de aspecten over de natuur die in de Bijbel beschreven is mogen bestuderen. Als eerste valt dan bijvoorbeeld de woestijnachtige gebieden waar de vrienden van Job vandaan kwamen op.

Daarnaast is er nog een ander aspect in Job die de bestudering van dit boek zo interessant maakt. Iedereen heeft wel eens gehoord van die reusachtige dieren die de Behemoth of Leviathan (Job 40) werden genoemd en welke vaak worden vertaald met nijlpaard, krokodil of een ander dier. Maar de beschrijving is zo vreemd dat het wel om een ander dier moet gaan, want je kunt van een nijlpaard niet zeggen dat hij een staart heeft als een cederboom. Misschien waren het zoals in sommige theorieën wordt gesteld dinosauriërs.

Ook vinden we in Job beschrijvingen van rivieren die vol met donker ijs en sneeuw zijn (hfd 6:16-17) die even snel weer verdwijnen, ook dit is vreemd want in het Midden-Oosten komt maar weinig sneeuw voor en rivieren waar ijs in drijft komen al helemaal niet voor. En zo zijn er vele verwijzingen waardoor het lijkt of het klimaat toen compleet anders was. Toen ik jaren geleden dan ook voor het eerst Job kritisch ging lezen vroeg ik me af wat dit allemaal te betekenen had, kon het zijn dat dit boek net na de zondvloed was geschreven gezien de catastrofale gebeurtenissen die worden genoemd? Als dit zo was, dan moet het een van de oudste gedeelten uit de Bijbel zijn. En de vraag die ik me stelde, zijn er mogelijkheden om dit te bewijzen. Temeer daar verschillende critici beweerden dat het boek vrij jong was.

Een volgende keer gaan we verder.

Tags: ,

4 seizoenen in Ne’ot Kedumim

Ne’ot Kedumim is een van de grootste Bijbeltuinen in de wereld, welke gelegen is in Israël. Het is altijd weer een evenement om daar te zijn en ik was dan ook aangenaam verrast dat verschillende medewerkers een video hebben gemaakt van deze tuin, inclusief allerlei dingen die jaar daar kunt beleven, zoals de productie van wijn of olijfolie in vroegere tijden. Daarnaast zie je ook de verschillende dieren die daar voorkomen. Kortom een paar minuten (wat natuurlijk te kort is) heerlijk genieten.

Tags: , , , , , ,

Sommige dingen zijn enorm mooi om te zien. De afgelopen maanden heb ik van nabij kunnen zien hoe een zwangerschap verloopt. Je ziet de toekomstige moeder dikker worden, je ziet dat ze zich anders gaat gedragen met als hoogtepunt de bevalling. Wat minder zichtbaar is, maar minstens zo mooi is hoe deze foetus zich vanaf de conceptie ontwikkeld tot een complete baby.

De wiskundige Alexander Tsiaras is iemand die zich bezig hield met allerlei rekenkundige modellen met het oog op toekomstige bemande vluchten naar andere planeten. Hierbij bestudeerde hij onder andere het menselijk lichaam. Tijdens onderstaande presentatie laat hij zien hoe een foetus zich vanaf het allereerste begin tot en met de bevalling zich ontwikkeld.

Tags: , ,

Mist

Onze naam wordt op den duur vergeten, niemand herinnert zich onze daden nog. Ons leven verdwijnt als nevel, het lost op als mist die door de stralen van de zon wordt verjaagd en door haar warmte verdreven.

Wijsheid 2:4

Mist blijft mooi, hier een foto die ik vorig jaar maakte.

Tags: , ,

Herfst

Toch nog een mooie “zomer”dag midden in de herfst.

Tags: , ,

Hula vallei

Vandaag weinig tijd om wat te schrijven daarom wat foto’s van de Hula vallei in het noorden van Israël.

Voor meer foto’s zie hier

Tags: ,

« Older entries